metje : ,,Zel je nou wat minder druk doen, beest van 'n meid ? . . . Mot je je tien gebojen bij alles gebruiken ? . . . As ik je nog is waarschouw, schandaal, ga je na boven en 'r onder 1 . . . Nee, Boude-wijn, daar trejen we niet in ! Of jij nou op je stoel zit te draaien, merakel van 'n kind, dan ha-je je mond open motten doen, vóór je an tafel kwam 1 ’t Bennen geen manieren, om middenin van tafel op te staan I . . . Toe maar, prinses, jij groeit godbeter voor de galg op ! . . . Ik zou d’r in stikken ! Gun je 'n ander niks ? En de korsten opeten 1 . . . Zit jij weer met je zuurkool te kieskauwen, Sieg-fried ? . . . Geef je nog brutale bekken toe, doerak van 'n jongen ? . . . Slik door, lastig leugen-merakell En as je ft lef het 'r balletjes van te draaien, en ze an de poes te geven, krijg je op je falie 1 ... Ik werk me kapot, en jullie behandelen mijn as oud vuil . . . ”
Toen was 'r iemand an de deur, hield ’t stemmetje, dat zo sprak als tante de laatste maanden in 'r prikkelbaarheid gesproken en gesnauwd had, op. Ze zee benejen enkel nog tegen Boudewijn, de Prinses en Siegfried, om na 't eten te danken, en babbelde toen als 'n ratel met de melkboer, an wie ze vertelde, dat tante en Koert lekkerfïjn in bed leeën, dat ze gister Jo in 'n kissie in de grond had zien zakken, dat ze zelf eieren gekookt had, en dat-ie ;r geen verzuurd beugelflessie most geven, want dat-ie 't anders morgen vroeg weer terug kreeg. De bedrijvige voetjes klonken als castagnetten door 't huisje, terwijl ze de boel afruimde, en in de keuken de borden en koppen 'n beurt met soda en zeep gaf, zoas ze in geen jaren hadden gehad. An de groenteboer zee ze,
19 4