driftig, en ze kreeg *r *n kleur bij : „die jongen ies vanmorgen begraven l . . . U heeft gelijk, als u van oens weg gaat : en hoe eerder hoe beter I" Van af ’t ogenblik, dat-ie in 't kleine laboratorium, in de stoel van 'r vader, met de zenuwtrekkingen op z'n geelbleek gezicht naar de koffiekom gebukt had, om niet te laten merken, dat-ie most grienen, en ’r vader gezegd had : ,,Der Herr komt niet uit vreemde landen, maar uit een zelfde vreemd huis, als waarin jouw grootvader gestorvenis, omdat hij iemand vermoord heeft. . .
— van af dat ogenblik had ze zich in fr romantisch hoofdje voorgenomen, de rustige les van de chemicus op te volgen, en goed voor ’m te zijn —-dat was plicht bij mensen, die een boel hadden meegemaakt — ze had 'm in de arbeiderswoning, voor zover ze ’t kon, vertroeteld, en als de oude Wetter ’t oplette, had-ie 'r telkens met z'n goudbrokaten ogen <— vader had ogen, zo als geen ander — angekeken, of-ie wou zeggen : best m'n, kind, geen levend uur voorbij laten gaan zonder voor een ander wat te doen — die man heeft van alles te weinig .... En nu zat ze over 'n afstotende ruïne, over ’n leugenaar, die vanmorgen bij 't vers-gedolven graf wat had willen zeggen, die toen haast stikte van verdriet, wie ze telkens wat toegestopt had, en met dingen-van-genegen-heid getroost en afgeleid ■—- die de eenzame vader geweest was> 'n gebroken mens, uit de gevangenis gekomen, om 'n zoon terug te krijgen, en ’m dadelijk weer af te staan -— en die nu over haar met de onwezenlijkheid van 'n man, die te veel gedronken had, en met 'n weeë dranklucht om zich heen, de laatste gronderige koffie uit de in z’n
180