Drienk u asjeblief .... Daar doet u mij plezier
r y
mee ....
„Ik ga d’r morgen vroeg vandoor 1” zei-ie, in dezelfde geknauwde houding : ,,en as 't me lukt, zit 'k morgenavond weer opgesloten . . . .”
,,Waarom zegt u zulke lelijke dingen ?” praatte ze, over 'm neer zittend : ,,u kan toch een goed mens worden, waarvan andere mensen heel veel zullen houden . . . .”
„De mensen zijn beesten I” zei-ie kwaadaardig opstaand.
„Is ü een engel ?” vroeg ze, en omdat-ie met zulke dreunende stappen door *t kamertje bewoog, waarschuwde ze ;m voor de slapenden in 't huis : „gaat u er bij zitten asjeblief, Herr Mourier, want mijn moeder ies ziek . . . .”
„Da’s goed, en dan blijf 'k meteen op tot morgen» ochtend. Ik weet 'r nou alles van —- meer as me lief is,” zei-ie nors, en terwijl-ie in de stoel neerbonkte, ontweken z'n met bloed belopen ogen de ogen van 't meisje : „je mot 'n schurftige hond niet van de ketting laten .... Die krijgt overal stenen en trappen — en dat is hullie recht, omdat-ie andere honden ansteekt . . . .”
„Mijn lieve vader,” antwoordde ze zacht, omdat boven moeder’s bed kraakte : „heeft eens een zieke hond mee naar ons huis ien Duitsland gebracht, en hem met een middel elke dag gewassen tot hij een lust voor die ogen werd .... De eerste keer dat vader hem behandelde, wou-ie bijten, gromde hij net zo hard als u nou doet, maar na een paar dagen likte hij die hand van oens allemaal, en hij werd zo met oens befreundet, dat hij een Raubtier werd, als iemand een
178