XVI
En ook bij de ^Vetters werd 't 'n latertje.
"Want de scheikundige, die voor 't Politiebureau had geijsbeerd, om op de ontslagen tuchthuisboef te wachten, kwam tegen half twaalf alleen terug. Hij begreep ’r niks van. Mourier was 'm zeker voorbij-gelopen. Toen-ie, ^eu van ’t heen-en-weer stappen van de ene zijstraat naar de andere, eindelijk de wachtmeester, die-ie nog van 't kindergevecht in de sneeuw kende, aansprak — *t was morgen vroeg dag ■— keek de beambte 'm aan, of-ie 'r tussen werd genomen. Ze hadden de man maar heel kort gehouen, omdat de apotheker per telefoon bevestigde, dat-ie de nacht van de inbraken om drie uur uit z’n bed op was gestaan, om 'n lange kerel met 'n ongunstig voorkomen, die uit naam van de familie ^Vetter kwam, inderdaad 'n doos poeders, 'n flesje valeriaan, 'n rolletje pepermunt en ’n stuk zeep, mee te geven, en ’t had ook geklopt met de plotselinge dood van de jongen. Na ’n dik half uur was Mourier weer in vrijheid gesteld — met de waarschuwing, om niet te lang zonder middelen van bestaan in Eindhoven te blijven hangelen, en om sebiet bericht te geven, als-ie 'n betrekking gevonden had. Voorwaardelijk vrijgelaten, sprak ’t vanzelf, en dat wist-ie, dat-ie voorlopig onder politietoezicht stond.
Wetter had 'r op gerekend, dat-ie 'm thuis zou
175