nou ook maar niet doen, want dat ken nooit wat wezen.”
„Ik mot 'n brief schrijven, want ik ga trouwen, moeder.”
„Waarom mot dat nou,” zei ze, in 'r tranen stikkend : ,,je weet toch dat ze geen vrouw voor je is, dat je 'r ons allemaal ongelukkig door maakt .... Wat heb ik je gedaan ? . . . Waarom straf je me zo ? Ik ben toch oud geworden in me zorgen voor jullie . . . .”
„Daar spreken we morgen over,” zei-ie hou-dingloos.
Toen ze boven was, doopte-ie de pen van Koert in ’t flesje inkt van Koert, en schreef met langzame halen.
In de keuken werd met water geknoeid. Dat was Koert, uit z'n bed gekomen, om gulzig te drinken.
„Wat doe jij ?” vroeg-ie verwonderd, toen-ie Kobus nog en met dat bezig zag.
„Dat raakt je niet,” zei Ko, ;t velletje onder ’t rode vierkantje vloeipapier verstoppend. Hij wurmde tot bij drieën.
174