hem te gast waren. Hij eindigde met *t jongens-achtig-gebroddeld verzoek of ze twee tellen met ’m wou oplopen. Rillend, of de kilte van de avond ;m beving, met huiveringen, die ’m 't spreken belemmerde en 'm telkens de elbogen in de zijden deden stuntelen, sprak-ie op de eenzame weg over de krankzinnigste malligheden, die-ie zo weer vergeten was, als-ie ze brabbelde, en toen eindelijk ;n ander naast ;m met ;n traag-lallende tong en met 'n stem, die de zijne niet was, nooit geweest kon zijn, 'n stem van 'n in de ruimte verdoolde, durfde vragen of ze is 'n avond met 'm na de Bioscoop zou willen, toen zette-ie z’n kraag op of 't ineens schrikkelijk bij de laaiende oven tochtte. ,,Iek wil wel,” zei ze in z’n goedige ogen, die nooit iets voor zichzelf verlangd hadden, kijkend : ,,iek wil héél graag, maar iek moet mijn moeder en Omuttel oppassen . . . .” De vreemde, die dat drieste aangedurfd had, zei toen enkel nog met 'n zo dor geluid, dat de woorden 'r in verbrokkelden : ,,ik wou u wat zeggen, maar dat ken alleen met 'n brief .... Mag ik u die brief zenden . . . ?” —1 ,,Astublief,” zei ze omdat ze niet wist wat ze anders most antwoorden. Zo gingen ze van mekaar.
Thuis zat tante Toos achter de tafel, en schrikte wakker toen ze de klink van de deur hoorde. Ze schonk z'n koffie in, sprak geen woord van verwijt. Maar hij had iets vreemds over zich, vroeg 'r naar boven te gaan, omdat-ie nog wat te werken had. ,,An wat ?” zei ze : ,,dat doe je toch nooit . . . .” ,,'n Brief,” antwoordde-ie stug.
,,Ik zal je één ding zeggen,” praatte ze kleintjes : ,,jij schrijft nooit brieven, en dat zou 'k
i73