Wetter, toen 't gestap van de driftig-plompende voeten uit 't voortuintje verdoezeld was : „dat ies een kerl met een gouden hart en die gaat zo onredelijk tekeer, dat ik er een gat in die lucht bij sla .... Ik zal u eens wat zeggen : ieder Ge-schöpf heeft eigen viengerafdrukken, een eigen karakter, een eigen ziel met eigen electronen, maar die mensen gelijken meer op elkaar in die grote domheid als in die grote liefde, en als iek onze Lieve Heer was, schakelde iek mijn stroom eens een poosje naar die zijde van die lege hoofden, waarien die elementen uitgewerkt zijn, uit .... lek begrijp er niemendal van .... En u ?” „Jij ken 'n héél geleerd mens zijn, ^Vetter,” zei tante Toos, terwijl ook hij z'n hoed opzette : „en ik begrijp niks van al jouw boeken-wijsheid, maar jij ben zo blind voor wat 'r geen twee stappen uit je buurt gebeurt, dat ik me mond maar zal houen .... Mot jij ook opstappen ?”
„lek ga eens naar die Polizei, om te horen wat dat voor skandaal ies . . . zei "Wetter : „op zó een manier krijgt een man, die iets misdaan heeft, levenslang 1 . . . Als jij mij hier wacht, Friedel, ben iek in ene Viertel-stunde terug . . .
Koert, die ’t met z’n barstende koppijn niet langer uithield, had 't wonder bestaan nog voor Friedel opstapte, naar bed te gaan. De twee vrouwen zaten over mekaar onder de lamp — de moeder met de zilverwitte haren, en 't beeldig kopje met de hagelwitte tanden. Toen, omdat tante Toos met ’n gezicht *r koffie slurpte, of ze ’t met *n dozijn tegelijk an de stok had, zei 't meisje na 'n ruzie-achtige stilte ■— en ze had niet onhandiger kunnen beginnen :
169