„lek weet nieks,” redeneerde de Duitser. „lek weet alleen wat iek daar-straks heb gezeid vóór die verdammte Polizei, die een gewezen Ver-brecher nooit met rust kan laten, binnen kwam vallen ■— iek weet alleen, zo waar de lieve God mij hoort, dat wij geroepen zijn elkaar met het licht in onze ogen bij te staan . . .
„Krijg ik 't te horen, ja of nee, moeder 1” dreigde Kobus : „ik ben geen ploert — voor mijn part mag ieder doen waar-ie trek in het — maar ik laat geen bedrieger z’n voeten onder mijn tafel steken . . . . 'k Heb lang genoeg stommetje gespeeld . . . . Blijf jij me as kwajongen behandelen, dan pak ik me bullen . . . 1”
De stoel niet tegen z'n drift bestand, viel geknauwd ondersteboven.
„Laat Koert dan na boven gaan,” hakkelde de moeder : „dat zijn geen dingen voor jonge men-
f}
sen ....
„Waarom ?” vlamde Kobus, aangestoken door de ruïne van de stoel op ■— grimmig trok-ie de partij van de jongen, die 'r ziek door de gebeurtenissen van de dag bij zat, en nog bleker door de woede van de anders zo stille oom was geworden ■— : „waarom mag Koert niet weten wat 'r met de vent, die bij de Witters en ons gastvrijheid geniet, an ’t handje is ? . . . As 't géén daglicht ken verdragen hoort-ie hier niet .... En as ;t dat wèl ken, hoef je 'r niet omheen te draaien ! . . . 't Zal me glad me zorg zijn, of-ie z'n poten niet thuis het gehouen .... As je 't maar zeit, en me niet as 'n half gare idioot behandelt ____”
Toen zei Friedel met 'n gezicht, of 'r wel erger
167