XV
Zó hees van drift was Kobus nog nooit geweest. Nog voor 'n paar maanden had-ie zich, altijd in glimlachend zwijgen, als in 'n beveiligende cocon besloten, teruggetrokken, was 'm de wereld 'n dikwijls gruwelijk geval, dat je bekeek, onderging, maar waarover je je niet moeilijker maakte dan je 't hoefde ; lachte-ie zonder luidruchtigheid om de behoefte van anderen, om zich over 'n peule-schil op te winden, en mekaar over de ergernis van ’t onnozelst hebbedingetje de smoor in te jagen — voor hoe-kort-geleden-nog was hij de opwindende kalmte in 't huisje, de stille pijpen-beklui-ver, die je in z’n stoel, als 'n oud stuk familie liet begaan, die de makkelijkste kostganger met eten en drinken was, die z'n volle weekloon afdroeg, en zich als 'n mens zonder behoefte, zonder verlangens, met z'n gestopte sokken bij *t kacheltje zat te verkneuteren, met z’n pijp naar bed stapte en met z'n pijp benejen kwam ■— en van dat alles leek niks meer overgebleven, nou z'n wrok van weken los kwam. Eerst had-ie de behoefte gevoeld met z'n vuist de tafel te bebeuken en de boel an gruzelementen te slaan, maar Friedel zat § met vochtige ogen in de lamp te kijken, en ’t handwerkje, dat ze mee had gebracht, lag vlak bij de nog half-volle kommen koffie. Om zich te luchten stampvoette-ie zo woest, dat een van de delen onder 't vloerzeil 'n schorre schreeuw gaf •— toen,
i63