„Jij kletst,” zei tante Toos, die 't toch al zo benauwd had, en ’t tegen 't krankzinnig geredeneer van de scheikundige in de kamer met de blauwe tabakswalm, niet uithield.
Toen smeet Kobus driftig z'n eigen pijp op tafel, omdat-ie zich zat op te winden bij de ogen van Friedel, die Godefroid beglimlachte.
,,Wat mot dat ?” vroeg z'n moeder, terwijl-ie humeurig opstond.
Antwoord hoefde-ie niet te geven, want 'r werd gescheld, en buiten stonden twee rechercheurs, die Mourier kwamen verzoeken; 'n ogenblik mee naar ;t bureau te gaan.
Wetter bemoeide 'r zich mee, vroeg in de gang wat dat betekende ■—- dat de man 's morgens z'n zoon was wezen begraven —1 dat-ie bij hèm inwoonde — en toen klonk de schelle stem van de ene agent — en verried ;t geheim, dat Godefroid Mourier voor 'n paar dagen uit Leeuwarden ontslagen, zich nog niet had laten inschrijven, en dat-ie verdacht werd bij inbraken betrokken te zijn.
,,Goeie avond •— 't spijt me, maar ik kan'r niks an doen,” zei Godefroid, in de deuropening bukkend.
Friedel wendde zich af.
,,Wist jij dat, Wetter ?” vroeg Kobus grommend.
„Natuurlijk,” zei de chemicus.
,,Ik wist ’t ook,” zei tante Toos, angstig de losbarstende verwoedheid van ’r zoon afwachtend.
i 62