laat kwam de baai *v van onder uit — en wat ze met d'r gootsteen uitvoerden was met geen pen te beschrijven. Voor de keuken van de Wetters zou zij minstens ’n paar weken, vijf pond zeep en tien pond soda nodig hebben. Dat beweerde ze 's avonds allemaal, toen ze nog laat over 'r zoon zat, maar Heinrich en Lena, voor 't eerst in uiterlijke eendracht met elkaar spelend, vonden 't gemors bij de gootsteen, ’t gekabbel van ’t water, als je 'r met 'n lepel in klukte, en de storm op zee, als je de vadoek 'n eind wegtrok en de kraan wijd openzette, van 'n opperste zaligheid. Hij vergat ’r z'n school door, zij ;r Zondagse jurk, en as ze niet in zo'n milde stemming geweest waren ■— de grote mensen — zou 't hommeles gegeven hebben.
Die groeide, door andere oorzaken, eerst tegen de avond, toen Godefroid Mourier, die ;r bij-sukkelde of-ie 't an z n ruggegraat had, en die met z'n ziel geen raad wist, zo als-ie zich in de kamer boven, alleen verveelde, met Friedel 'n babbeltje kwam maken. En omdat even later ook Wetter anliep en Koert, die met koppijn gekleed te bed was gaan liggen, bij ;t horen van de meisjesstem vanzelf de trap afzakte, werd ;t 'n tweede gezellig en voor de week ongewoon zitje. De herinneringen aan Jo werden opgerakeld — tante Toos vertelde van ’t leven, dat de jongen bij nicht had gehad, hoe-ie zich bij haar had beklaagd, en hoe 't wel 'n schrikkelijke ellende was, dat ’t kind uit was gestapt, net nou 't misschien anders had kennen worden. In de slaapkamer boven hun hoofden dee Leentje, die nooit ;n kik gaf, as ze eindelijk lag, zo onrustig als 'n kind van twee, drie jaar, dat
160