grond, en z’n klomp gaf de schop dan telkens 'n ruggesteuntje. Toen lei de tweede bidder, die ontstoken ogen had — zeker van ’t altijd huilen om de dooie mensen — de bloemen van de vader en die van tante Toos, op ’t heuveltje, en zei: „As ik u verzoeken mag.”
’t Scheen afgelopen. Maar Godefroid Mourier, uit z’n verlaten zieligheid ontwakend, nam de hoed van ’t hoofd. Hij wou bedanken voor de eer, aan de overledene bewezen. Z’n lippen bewogen in bevende mummeling, z’n vingers beplukten ’n knoop van de te nauwe winterjas. Hij zei : „Als vader . . . .” probeerde de overslaande, hoog-oppiepende stem de baas te blijven, trok ’t schrijnend frontje, dat als ’n dichtgesnoerde halsband z’n strot dichtkneep, omlaag, keek met de verdwalende kologen naar ’n grafzerk in de buurt, waar 'n mus met vinnig-geel bekje ’r borstveren doorploos, en in vruchteloos pogen de zin te voleindigen, de wel-voorbereide gelegenheidszin, bracht-ie ’t nog moeilijk tot ’n paar krankzinnig-versplinterende klanken, die z'n hoofd met gele vlammen doorschroeiden, of ’t fel-stekend zonnelicht 'r in rond-ketste — en met ’t gesmoord gekreun van iemand, die uit ’n nachtmerrie ontwaakt, bleef-ie hulpeloos z’n in de aarde verzakte schoenen bestaren.
„As ik u verzoeken mag,” hernam de bidder in de wrokkende onwerkelijke stilte. Mourier liep voorop, wankelend aanstappend, en ’t knarsend gewrijf van de kiezelstenen deed als iets blijmoedigs aan, en ook de andere voeten beschuifelden de weg-glibberende, krakende, vrolijk-tollende steentjes. Op de sintel weg gingen ze zwijgend, gebukt, en
i56