ze zagen nog 'n heel eind ver de kist langzaam verdwijnend, en hoorden 't weke bonzen der kluiten.
In de huiskamer wachtte Witter, en Heinrich, van school thuisgekomen, pulkte achter de rug van z'n rokende vader de krenten en stukjes sucade uit de verse bollen. Met z’n zevenen zaten ze om de tafel, dicht op de zonbevlamde gordijnen, en alleen Koert, als 'n oud mannetje in z’n stoel, liet ’t lekkers staan.
,,W^as jij *r bij ?” vroeg Heinrich, toen-ie met Leentje alleen in 't keukentje was.
Ze knikte. Uitstaan kon ze de jongen met 't puiste-gezicht niet, en fr volste aandacht was bij 't scheepje, dat zij van Mourier had gekregen ■— enkel om mee te spelen, maar wat ze had, liet zij niet meer los.
„Hebben ze *n steen op 'm gelegd ?”
„Nee, stommerd 1” zei ze bits : „ben jij nog nóóit wezen begraven ?”
„Meer as jij, schaap 1” zei hij, z’n handen onder de waterstraal schoon kudderend : „Tien op 'n dag ! . . .”
„Ik : honderd,” troefde ze ;m af : „maar d’r komt niks as zand op . . . .”
„Ken wel merken, dat je scheel kijkt van 't liegen,” sarde de jongen, 'n vinger in ’t gaatje van de koperen kraan borend, om 't dunne straaltje tegen te houden : „as je 'r echt bij geweest was, zou jij hópen stenen gezien hebben. Als hij ’r geen gekregen het, het zijn vader geen geld voor een steen . . . .”
„Zijn vader het zoveel centen as-ie zélf wil,” beet Leentje van zich af : ,,.... meer as jullie met z'n allen .... Jij krijgt 'n keisteen an je been,
i5 7