kant, vouwde de witte handen van 't dode kind om ft bloementuiltje, en omdat ze 91 teken des kruizes maakte, en snikkend begon te prevelen, deeën ook de anderen de ogen dicht ■— omspon de stilte al de gesloten ogen —- klonk 't gekraak van de papierprop onthutsender en hoorden ze nou allemaal 't getikkel van 't houten scheepje op 't tafelzeil.
Leentje was 't eerst de trap af, bekeek de zwijgende man, die z'n pijp rookte, terwijl Koert boven met 'n lijkwit gezichtje de kou we vingers van de vriend, die z'n grootste geheimen meenam, in zijn twee handen wrong.
„Hij is dood, hè ?" vroeg het meisje.
,,Ja," zei de vader, 'n zware rookwolk voor zich uit ploffend.
,,Heb-ie 'm ook gezien ?"
„Ja," zei-ie weer.
„Hoe lang blijft-ie dood ?"
„Dat weet 'k niet . . . ."
„As ik dat nou zeg," praatte ze zachies : „is dat te begrijpen, maar dat zo'n grote man 't niet weet .... Nou, hoor 1"
Ze zag 'm haast niet door de rookwolken, die z'n hoofd inpakten.
„Heb-ie verdriet ?" vroeg ze toen weer.
Hij knikte.
„Waarom huil je dan niet ? . . . Ik huil altijd as 'k verdriet heb . . . ."
„Dat weet 'k niet," gromde hij, de pijp uitkloppend.
„Jij weet nooit wat, as ’k wat vraag . . . ." verweet ze : ,/k zou me schamen zulke domme antwoorden te geven . . . ."
i5o