roker in de andere, sliep-ie zo zelf in. Toen Frie-del klopte, om 'n glas melk met 'n geklutst ei aan Jo te brengen, kon de vader zich eerst niet bewegen, zo als z'n nek aan de stoelleuning vastgemetseld leek. ’t Eerste wat-ie zag was 't fregat naast de zakjes op ’t tafelzeil, ’t tweede ’t blauw-witte hoofd van de jongen. Hoe-ie 'm schudde, wat-ie zei : ’t kind liet 't 'm doen, en toen Witter, die van zo'n massa dingen weet had, 'r bij kwam, en zag dat de pupillen niet reageerden, trok-ie 't dek over ’t hoofd van de jongen, en haalde de gordijnen, die in 't tochten van de wind bleven bewegen, stilletjes neer.
„Wat nou V’ vroeg de reus bot.
En weer herhaalde Friedel, die zich geen tijd had gegund 'r haar op te steken : ,,Sie
Aermster . . . 1”
Daar zat-ie dan zonder 'n traan te laten in de huiskamer benee, houdingloos, de grond bekijkend, met de lange benen vooruit, en de nieuwe, bruine schoenen plomp omhoog. De ene kom koffie na de andere slobberde-ie leeg, rimpeltjes blazend tegen de hette in, en omdat grootmoeder 'r bed hield, en moeder, ziek van de onrustige nacht, langer bleef slapen, rookte-ie 'r zijn pijp bij, die hoe langer hoe bruiner werd, en die-ie langs z'n mouw glanzend wreef. Buiten tolden zware sneeuwvlokken, soms lusteloos neer-drenzend, soms door de wind tegen de tranende ruiten geklit. Met de schichtige kologen keek-ie telkens die kant uit, omdat Friedel, helemaal ondersteboven door de dood van de jongen — de dokter had nog minder-lang dan Witter onderzocht — van boven naar benee holde, om de zieken bij te houen,
148