— 'r werd 'n pepermunt met vingerafdrukken, die ook in 't archief van de gevangenis bewaard lagen, tussen de verdorde kinderlippen gestoken, zonder dat 't geweigerd werd — en dan weer perste-ie 'n citroen tussen z'n driftige snijtanden in 'n glas water uit, en lepelde de limonade als 'n zorgzame moeder in de mond van de alles-toelatende jongen, slokje voor slokje, terwijl de rechterhand 't loden, vochtig-warme hoofd steunde -— en fluisterend, vreemd naast de tasting der onwezenlijke woorden van liefkozing, woorden die-ie haast in de leegte van z'n eigen hoofd stamelde, bang dat 't gloeiend-heet kind ze zou horen en van zich ketsen, zei-ie : ,,Joël, Jo, grote zoon-van-me — ben je nou niemeer boos ? . . . Ik zal zo goed voor je worden, da-je an niks meer zal denken .... Doe je ’t ? . . . Ik heb zo'n ellende achter me rug .... Ik ben de vader, jij de zoon .... W^e kennen nog ;n boel an mekander hebben .... Heb-ie nóg meer dorst .... Zal ik 't licht uitdoen ? . . . Mag ik je hand vast-houen ? . . . Trek-ie ’r heus niemeer weg ? . . . Poppetje gezien, kassie dicht. . .
Bij ’t bed, kroop-ie dan op de stoel, streelde de kinderhand, stond weer op om 'n beter ding voor de stuk-geslagen ruit te hangen, en nou de maan in de onstuimigheid van ;t weer, dat gister de mildheid van lente gekend had, nu op 'n winterstorm leek, doorbrak, en ’t zilveren eerste-kwar-tier de hijgende jongensmond bescheen, de tegen 't behang aan 'n haarspeld hangende bril in vlammetjes zette, stak Godefroid Mourier 'r vergenoegd 'n pijp bij op. Dat kortte de nacht. Met ’i klamme kinderpootje in z'n ene hand en de door-
147