de scherven heen en weer, en toen de krant 't gat eindelijk gedempt had, bleven de rukwinden de papierprop en de flarden rusteloos bezuchten, of 'r iemand in de duisternis buiten z'n verkleumde handen beblies. Zo groot en zo sterk als Godefroid Mourier leek, zo'n vracht had-ie an de zoon, die zo onhandig tussen de spijlen van 't ledikant en de uitgeslagen buitenmuur ingeklemd zat, dat 'r geen tillen aan was. En toen 't eindelijk lukte, 't drijvend jongenslichaam willoos in z'n armen lag, rilde-ie zelf nog harder dan 't kind, dat zich met krampachtige stuiping rekte, en 'm met groenig-lichtende pupillen, zonder 'm te herkennen, bekeek. ’t Was de eerste maal van z'n leven, dat de man z'n zoon met 't vermagerd gezicht, de ééngeworden wenkbrauwlijn, de aarzelende snor-donsjes en de zwartlijkende lippen met de koortsuitslag, tegen zich aan hield, de eerste keer dat 'r angstig vertedering in 'm ontbolsterde.
„Ben jij nou dol geworden, Jo,” sprak-ie ruw, maar zacht, om de buren niet nog 'ns te wekken : „had je ’t zo warm, dat je lucht wou ? . . . Dan mag je toch, gedorie, 't raam bij dat hondenweer niet opensmijten 1 . . . Nou stop 'k je 'r onder en geef je geen kik . . . .”
Dat dee Joël Mourier ook.niet meer. Hij liet zich door de grote handen van de reus ttiet de kologen als 'n hulpeloos ding inwikkelen, aan 't voeteneind, as 'n koning, links en rechts, dat 'r geen tochtje bij kon, fijntjes — de stevige vingers, vereelt door de arbeid in de gevangenis, droogden ’t zweet van ft kinderhoofd met de ingeploegde rimpels, deeën 't zo voorzichtig met 'n punt van ’t beddelaken, of 'r iets beschadigd kon worden
146