Wetter iets op 'n stukje papier schreef, en dat Godefroid met z'n kraag in z'n nek Eindhoven, 's nachts drie uur, met de opgewekt-krakende schoenen doorstapte.
}t "Was niet zuinig koud, de wind zwiepte stofwolken en 'n wit-brandende maansikkel holde de indigo-wolken langs, toen-ie zich in 't web van de straten vergissend, de huizen met de neergelaten gordijnen afzocht. De duivel speelde 'r mee. Want toen-ie in 't verlaten stadje twee mannen tegen kwam, en naar ’t adres van de apotheker vroeg, zei de ene : ,,Ben jij 't ? . . . Wat doe jij hier op de vlakte ?” Erger had 'm niet kunifen overkomen. Je hoefde niet te informeren, wie je voor je had : onder duizenden zou je ’t gezicht van de zwijntjesjager, die meer as 'n dozijnmaal gezeten had, en in de gevangenis om z'n goed gedrag ook korveediensten verrichtte, herkend hebben, 't Was 'n kemiek type, dat z'n handen niet thuis kon houen, tegen elke directeur ,,tot ziens” zei, als-ie z'n tijd uit had gezeten, vooruit wist dat-ie overal z'n kop zou stoten, en dan liefst in kleinere steden, waar de politie 't 'm niet te lastig maakte, z'n slag sloeg tot-ie weer ingerekend werd. Dat soort kennissen most-ie nou net niet hebben, en na 'n paar woorden en 'n kameraadschappelijke handdruk, liet de reïis de twee nachtwandelaars aan d'r lot over. Toch was 't onderhoud opgelet geworden, omdat de Eind-hovense rechercheurs ;t verdachte paar in 't oog hielden, en zich nu splitsten om de man met de krakende laarzen ook 'n eindje te volgen. Zo gebeurde 't dat een beambte buiten op post bleef, toen Godefroid Mourier, na lang en geduldig
142