schudt en weer nieuwe krijgt, die over de oude niet meer prakkizeren .... Nou weet u mijn familie-schande, waarvan ik geen geheim maak, omdat wie zulke geheimen heeft niet goed deugt. . . .” Toen, terwijl de lilliputter-motor in de luchtkoker snorde, en de rookslieren naar de blauwe hemel buiten gespujd werden, biechtte de man, die 'n vrouw gestoken had, en hij dee ;t of-ie de Duitse scheikundige al jaren en jaren kende.
,,Ik kom niet van de reis,” zei-ie moeilijk : ,,ik kom óók uit de gevangenis . . . .”
,,W^at gaat ons dat aan ?” viel ^Vetter 'm in de rede : ,,al had u een moord begaan . . . .”
,,Dat heb 'k . . . .” zette-ie in. Omdat Friedel twee kommen ,,frisch gebrühte Kaffee” binnen bracht hield-ie met heen-schichtigende ogen op.
,,Herr Mourier,” zei Witter opstaand, en ’m n soepel-bemoedigende hand op de schouder leggend : „nu moet u niet blijven steken, want ik heb voor mijn dochter geen geheimen, en ik zou het haar toch oververtellen .... Het ies altijd goed, wanneer men van binnen te veel met zich ronddraagt en dat dragen lastig wordt, er wat van aan anderen, die uw vrienden zijn, te geven .... Ik zeg niet dat het helpt, maar het kan helpen .... Mag ik mijn dochter ....?”
De kom koffie beefde zo hevig in de handen van Godefroid Mourier, dat-ie haar naast zich op de grond moest zetten, en de zakdoek te hylp diende te komen, om de bruine morsvlekken van de nieuwe broek te betten, 'r Was die dag al zo'n boel met 'm gebeurd, en hij zat in zulk 'n weke stemming, dat de menselijke woorden van de chemicus meer bereikten dan 'n dozijn gevan
i37