’t in de huiskamer voor de altijd hoestende'vrouw niet kon, en grootmoeder, die alles verzon om de aandacht te trekken, dan opzettelijk mee begon te blaffen, 'm vroeg of-ie bij hèm 'n pijp op wou steken, drentelde-ie sullig mee, en niet op de lage plinten-betimmering van ’t rommel-schuurtje lettend, stiet-ie zich al dadelijk, en niet zuinig, 't hoofd.
„U moet een beetje oppassen/’ zei Wetter bezorgder naar 't afdakje dan naar ’t harde hoofd van de bezoeker kijkend, want op de zoldering lag z'n voorraad fijn glaswerk, kolven, retorten en reageerbuizen, en daar verstopte-ie ook de flesjes met vergiften voor de kleine Heinrich, die bij niks te vertrouwen was. Voor alle zekerheid, met die ongewone lengte in z'n laboratorium, gaf-ie Mourier z'n eigen stoel, en dompte zelf neer op 'n pakkist, die de letters Vorsicht 1 droeg. De goedige kol ogen van Jo's vader keken nieuwsgierig naar de werkbank en de tafel, vol flesjes met ei-gele, karmijn-rode, koper-groene bezinksels, naar de bunsense' brander onder 'n door 'n stang vastgehouden retort, naar de bekerglazen en kronkelende buizen, 'n Schoorsteen van zink, met 'n zinken trechter, voor de kwade dampen, trok 't dak door. Langs de wanden hingen tabellen en 'n groot blad met de vervloeiende kleuren van 't zonnespectrum, en vlak boven de tafel met *r microscoop was ’n bijna levensgroot portret van ’n glimlachende man met ’n pluisbaard en vrien-deKjk-starende ogen. Wetter, die z’n feestdag had, omdat-ie z’n overwerk-uren met 'n halve dag vrij in mocht halen, en nu tegen 't geluk van voor zichzelf tot diep in de nacht te kunnen prutsen, aan