't Kind bewoog niet, sliep of hield zich maar zo. Toen zette Godefroid Mourier, in z’n wiek geschoten, z’n hoed op, stopte 'n verse pijp, en stapte omlaag. In de huiskamer leunde de grootmoeder in ’r stoel achterover, 'r Rimpelhanden omklemden de langs ’r knieën gespannen deken, 'r knorrige ogen hingen als stekels aan elk van de bewegingen van de vreemde.
„Was wollen Sie ?” vroeg ze met de ongemakkelijke stelligheid van 'n ouwe vrouw, gewend aan zeurderig krakelen met iedereen-in-'r-buurt.
,,Ieg gehe ein Lüftje schöpfen,” zei Mourier, die haar niet dadelijk opgelet had.
„Friedel 1 Friedel 1” riep de gebrekkige naar de zij van de kleine keuken, en toen 't jonge meisje, met 'n braadpan in de handen, in de deuropening verscheen, luidde de alarmschel van de krakende stem eens zo vinnig : „was soll der Mensch hier?” „Der Herr hat bei uns die grosze Zimmer ge-mietet,” lei Friedel uit : „Herr Mourier, das ist Omuttel . . . .”
„O, jawel,” zei de man, en tegen de zon inlachend, knikte-ie met de verlegenheid van 'n schooljongen.
„Gaat u uit ?” vroeg 't meisje : „wij eten in eine Viertelstunde . . . .”
„Ik wou nog effen 'n boodschap doen,” sprak hij in toon van verontschuldiging, en in de poging om z'n houdingloosheid in de nieuwe wereld te verbergen, babbelde-ie 'r onhandig op los. Op de tafel lagen naast wat kwartjes en dubbeltjes twee zilverbons, geld terug van 'n gewisseld muntje.
„Is dat nou 't papiergeld van de laatste jaren?” zei-ie onnozel, en omdat-ie tegelijk voelde hoe
i3i