Wanneer 'm pen, inkt, papier uit werden gereikt, staarde-ie 'n poos met de kologen voor zich uit, om te weten, te zien, te voelen, aan wie-ie schreef. En ’t lukte dan, in diepste onwezenlijkheid, verzonnen, volkomen-onecht, aan ;n vréémde. Tob-berig zat-ie in de sfeer van 'n dode, waarvan de ogen niet meer tot je kwamen, waarvan je de stem niet meer hoorde, al luisterde je met gretigste oren. Uit de boeken, die-ie mocht lezen, was «de romantiek van de zoon tot ’m doorgedrongen. Hij had niets meer op de wereld dan 'n zoon. Daarbuiten, ergens, liep, bewoog, ademde z’n zoon. Aan die onbekende, met de glimmering van twee brilleglazen, luchtte-ie z'n hart, uitdrukkingen gebruikend, die uit stichtelijke verhalen waren blijven hangen, en telkens dacht-ie daarbij : dit is ’n mooie zin, en de Directeur, die 't leest, zal 't net zo mooi vinden. Dat was de werkelijkheid in de afbeulende eenzaamheids j aren geweest ■— zo werkelijk als-ie de jonge vrouw, die 'm bedrogen had, en die-ie in dolle woede zó woest en hardnekkig had gestoken, tot ze niet meer bewoog, alleen 's nachts, als-ie zich inspande en ;t wóu, her-zag -— nog gister en vanmorgen, in de trein, had-ie gedacht aan z'n zoon, gesproken van de zoon, die 'm wachtte, naar 'm verlangde ■— en nou zat-ie hier, in 'n andere werkelijkheid — en achter 'm, in ’t bed, lei de jongen, lei de vreemde, die 'm angstig bekeek, z'n hand wegtrok, als-ie die in de zijne wou nemen, en klappertandde van de koorts. Nog één keer probeerde de gebukte man 't.
,,Zallen we nou goeie vrinden worden ?” vroeg-ie zich plotseling omdraaiend — pratend met de jongen, of ze enkel boos waren geweest.
i3o