raad speurde. Nerveus betrommelde-ie 't tafelzeil, en de bruske beweging van z'n moeder drong 'm enkel 'n gemelijk verzet op. 't ^Vas op die manier met altijd weer de smoor over kleinigheden in hebben, niet te harden .... Koert, ook met z'n gedachten bij Friedel, besufte de portretten aan de wand. Ineens zag-ie ■— gek as 'n ding je inene te binnen kon schieten 1 —- *t kleine portaaltje in Amsterdam, toen de levende schol uit de bun van de visboer gevallen was, en de vrouw-met-de-glimlach tegen de kalkmuur leunde. Friedel kon net zo lachen. Friedel. Naar de in 't zonlicht trekkende rook-krinkels uit Ko’s pijp kijkend, spelde-ie zachtjes de letters F.r.i.e.d.e.1 ....
Toen stond tante Toos onstuimig op. Ze smeet de vorken en messen in de lege schaal van de zuurkool, smakte de borden bijeen, en omdat ze 'r mond bij dat ophitsend lawaai niet houden kon, ging ze plotseling driftig tegen 't morsend meisje tekeer.
„Nou zeg ik je één ding I" zei ze met 'n raps-huis-gezicht : ,,je staat niet eerder van tafel op voor je bord leeg is 1 Mijn hoef je niet te likken en voor mijn hoef je geen snoepgoed te bewaren, maar eten zal je, al stik-ie 'r in 1 Das me elke dag 't zelfde gemier, en dat hangt me de keel uit, versta je ? ... Ik vraag of je 't verstaat V’
,,Ik versta je best. Je hoeft 't geen twéémaal te zeggen ]M antwoordde Magdaleentje kattig : ,,as je maar weet, dat ik van zuurkool dood ga I"
En met 'n wanhoopsgebaar stak ze 'r vork als 'n hooispaan in de gestolten klonters en laadde de hap in de holte naast 'r kiezen, waar-ie tenminste niet dadelijk in de 't verdraaiende maag gelost hoefde te worden.
120