92
z’n broer gestorven is, van de vrouw van z’n broer, die hem smeekt, wat ze nu met Loetje moet doen.
„Nou, Bram, jij eerst.”
„Nee, Seere, eerst jij!”
Vertelt ze hem.
Vertelt-ie haar.
Vliegen ze mekaar om den hals, waar de hcele steeg en ’t plein bij is.
„Doe a jingeltje, isj a méédje, gijn, Bram”, ze schatert huizen ver.
En ’t was, of 't dertig jaar terug was. Ze werden heel op eens weer jong. En begonnen te sappelen van voren af aan. Maar nu met twee kinderen. Seere en Loetje. En Seere kon voortaan niets meer doen zonder te lachen. Vooral tegen Peiseg. En Bram lachte levenslang met haar mee.
Seere en Loetje, nu, vader en moeder van zes kinderen.
XXI.EGYPTENAAR.
Rood borstel-haar, ruige stoppel-baard, gluur-turende oog-vonken, grijnzend grimas-mien, vertrokken mond-spleet met zichtbare vergroende tanden-tronken. Gedeukte boeren-hoog-pet, glooiend op ’t gloeiende haar. Ruit-rosse halsdoek omgeploeg-den nek, strop-gestoken in strot-open kamizool. Hij schreeuwt en schudt ’n knoest. Hij zwijgt en pruimt ’n scheldwoord, ’n Lange kruk onder z’n oksel veinst recht z’n scheeve lijf. Nu hij staat, toont-ie heel. Zou-ie loopen, zou je ’n schepsel-scherf zien. Hij roept Joden en valt tegen ze uit. Ze antwoorden hem, smeekend, handen-biddend, hij schudt neen met ’n bevroren grijns. Hij zwaait z’n knoest met wellustigen treiter, hun oogen trillen om gena. Ze durven vlei-moedig den knoest vastgrijpen, hij rukt ’m hun handen uit en lacht leelijk. „Loop door! aan je werk! bij mij geen kans! Geef op, wat ik zeg, of anders verr . . .k!” Wat moet die Egyptenaar daar op ’t veld, waar Joden krioelen, als sterren aan den hemel, als zand aan ’t strand? Eén Egyp-