Kiekjes

Titel
Kiekjes

Jaar
1926

Overig
I, Jodenbreestraat-Waterlooplein

Pagina's
208



8g

loopt ze na. Nergens concurrentie. De eersten en de éénigen van die sgoure. Ze dringen zich dood om hun stal. Abram legt den mannen uit wat koosjer linnen is, Sara doet den vrouwen ’t vlcesch-koosjer-rnaken voor. Enfin, ’t wordt zóó ’n zaak, dat Ter ach bij ze in huis komt, dat Abraham z’n broers Nachor en Haran in de Vennootschap neemt. Abraham blijft eindelijk in Kenaan. Z’n broers houden de hoofdvertegenwoordiging in Goloes.

Een ding was ja jammer. Sara en Abram waren al over de jaren en hadden geen kind. Op ’n zeer goeien dag stuurt God Z’n mal-oogem. Sara druk bezig aan ’t Sjabbesmaken. Sjabbes-óók-’n-zorg. ’t Liep tegen Pesach. In de tent ’n reu-ze-rommel. Alles van den muur, alles van den grond. Komen in die gooser-deie-drukte ’n paar menschen met oggenubbisj-gezichten. „Sjimme, kom arin”, zegt Abram. Sara in de keuken, bezig aan den Sjabbes-oven. „Goed heb je gedaan, Abraham, maar wat heb ik voor ze in huis? Brood heb ik niet meer. M’n fornuis is al gekasjerd. Weet je wat? Dan maar jomtev-dik. Ik zal ’n matse-sjaalet voor ze bakken. M’n vleesch is al koosjer gemaakt. Maar laat ze asjeblieft in den tuin eten. M’n kamers zijn al peiseg-diken excuseer mij maar, ik kan toch zóó niet naar voren komen.” Abraham met de naages op z’n gezicht weg. Sara laat kloumesj de keukendeur aanstaan, over den rook van ’t fornuis. Enfin, hoort ze Abraham schrikken, lachen, huilen, springen. „Als wij je nou zeggen, Abraham! Ja, jouw vrouw Sara krijgt ’n kind, zoo zullen jullie alle twee tegoeiem honderd jaar worden en nóg meer. Wie lacht daar?” Sara kan niet meer. Paars is ze van het lachen. Ze vergeet haar „soesjtand” en vliegt de keuken uit, Abraham om den hals, waar die gasten bij zijn. „Abraham, Abra-ha-ha-ha-ham, ha-ha-ha-haal je niks in je ho-ho-ho-ho-hoofd, kan... niet...!” schatert ze uren ver. Maar plots laat ze Abraham los en hij haar en deinzen ze beiden terug. „Wat jij?” „Nee, jij?” Wie ben jij?” „Maar wie ben jij?” Wat is er dan?” „Wat is er dan met jou?” Nu schateren de mal’-oogem. Sara vlucht de keuken in. Kijkt spiegel in. God, dat? Was dat? Ze is niet ver over de zeventig meer. Zestig jaar zijn plotseling stilgestaan. In den spiegel ziet ze zeventien. Over haar schouder blikt haar Abraham. Ziet zich zot. Zeven-en-twintig in den spiegel. De spiegel beeldt ze als op ’t oogenblik, toen Abram vroeg om Sara’s hart en kreeg. Ze waren opeens

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.