Loetje zit. Sof, reuze. Andermans geld . . . enfin . . . denk zelf maar.
Toen heeft Abram gehuild, over den zoon van z’n broer. De commissaris ’n gesjiewes. ’t Geval nog niet doorgegeven. Maar drie-honderd gulden . . . die, ja, die moesten toch . . .
Die heeft Abram verzorgd . . . Van z’n spaarcenten. Van z’n sjabbesgoed en lommerd. Van 'n stukje sjabbes-goud en sjpouze-ring van z’n vrouw. Van sjnor. Van krom zwoegen. Van bloedzweet. Van de laatste dertig nog te leenen. ’t Kind van z’n broer.
Loetje losgelaten. Waar nü naar toe?
En Abram zei tot Lot . . . blijf bij me . . . anders gaat ’t weer niet goed . . .
Bram is vijf-en-zeventig voorbij . . .
Die daar trekt, is Bram niet.
Die daar achter loopt, is Bram, met z’n sigaartje in z’n mond.
Die daar trekt als ’n dampende stier, dat is Loetje . . . vader van zes kinderen.
Bidt iederen morgen, vóór-ie werkt. Thuis . . . hij woont te ver van sjkoome.
„Laat ü maar los, oome Bram . . . afblijve! ... Ik kèn ’t alleen wel. . . wat zeg je nou daarvan, nou duwt-ie toch! . . . laat u nou los, of ik ga niet verder! . . . U kèn me ’n plezier doen, oome Bram.”
„Nou?”
„Brengt u Sakkie eve naar ’t Joode ... ik ken me alleen wel helpe . . .”
XX.SARA.Onze moeder op de aarde. Onze eerste Oude. Die ons leerde lachen en werken. Vroeg heel ’s morgens, laat heel ’s avonds. Toch al ver voorbij de zeventig. Wat werken? Voor en achter, in en om en bij de tent. Waarom? Omdat 't „gedaan” moest