Kiekjes

Titel
Kiekjes

Jaar
1926

Overig
I, Jodenbreestraat-Waterlooplein

Pagina's
208



86

„Ik niet . . . fas niet . . . daar bin ik niet voor angenome . .

„Voor wat bin je dan ja angenome. . .? wat doe je dan, wat ken je dan, wat bin je dan . . .?”

„God bewaart, u had me niet. . . dan ...”

„Nou . . . wat . . . dan . . .?”

„Nee, niks, ... ik zal maar niks zegge . . . Daar bint u te dom voor. . . Weet u veel. . . oore . . . oore . . . anders kent u toch niet. Jullie sjoel staat ons stelsel in de weg!”

„Blijf van me sjoel af . . . niksnut... jou mesjoggaas staat mijn in de weg. Stuk soosiejaal, wor klooniejaal. . . bin je te-minste nogèppes ... o, God . . . m’n hoof . . . laat je me alleen sappele? . . . help je me niet . . .? Loetje . . . demensche wachte op hun stal. . . Loetje . . . Groote God ... ik ... ik .. . kan . . . niet meer . . .”

Loetje is met ’n razenden vloek weggeloopen, hoek om, weg...

Zoon van z’n broer. Die niet wou bidden en ook niet werken, ’n Brok van zeventien met knuisten als knodsen. Die al acht bazen had gehad en door alle acht was weggegooid, omdat hij bij zeven te laat en bij den achtste heelemaal niet kwam. Maar te vent liep met strooipapiertjes voor de partij, om te staken wegens te veel werk en te weinig loon. Als hij loon naar werk moest hebben, mocht-ie wel geld meebrengen, want hij was altijd al moe vóór-ie begon. Z’n vader was dood en z’n moeder op weg, over hèm. Abram had zich over hem ontfermd en hem in z’n krotje en z’n werk genomen, voor twaalf gulden in de week en eten en drinken en boezeroenen en broeken en schoenen. Niets doen en alles hebben, zei men in Sodom en Amora. Heilstaat, zei Loetje en hij d’r heen. Tenteerde Abram in ’t tenten zetten. Dien morgen was Abram net zestig. Toen Loetje wegliep. En hem op straat liet liggen. Met wond en dubbele rib-breuk. Daar kwam ’t gasthuis van. Vier volle maanden. Loetje kwam niet meer opdagen. Abram miste nog zes gulden uit z’n zak. Zeker dien morgen om half zes op straat uit z’n zak gevallen. Of, was Loetje daarom ineens verdwenen? Abram dacht daar, God bewaart, nooit aan. Gasthuis uit. Zwakkies. Maar d’r moet toch eten zijn, Vooruit, met Gods hulp. God heeft koug genoeg weg te geven. Maar nu moet hij alles alleen, alleen.

Abram op ’t beroo komen, ’t Was drie maanden na ’t gasthuis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.