83
leven en veel kroost, ’n schijntje geld en ’n schep zorg. Wie hielp hem? ’n Zoon van z’n broer. Lot. Die niet met hem ópschieten kon, omdat hij niet met hem opschieten wou. Die niet wou bidden en daarom ook niet werken. Luieren tot laat, heel ’s avonds. Niets doen en alles hebben, zei men in Sodom en Amora. Heilstaat, zei Lot en hij d’r heen. Lot naar links, Abram naar rechts. Rechts houden is de sekuurste weg. Lot later sof, suffisant. Mot met Sodom en Amora. Als kleeren hangen zonder gedragen te worden, komt ’r mot in. Kleeren maken den man. Mannen dus dito. Als ze den luier uithangen, krijgen ze mot. Reu-zen-sereife in Sodom. Finaal uitgebrand en voor geen cent verzekerd. Lot gevallen in diepe dalles. Tot zijn mazzel is hij de zoon van den broer van Abram. Die ’m niet „sjwitzen” laat inz’nse-reife. Hij kan weer knecht bij’m worden. Helpen tenten opzetten en opbreken. Bidden en werken. Vroeg, heel ’s morgens. En nou geen malle kuren meer met dien lui-lekkeren-heilstaat! Schik je in je lot, Lot! Werk in Abram’s tent. Kun je straks fijn rusten, in Abram’s tuintje. Zóó babbelt beeldig de bijbel.
Abram.
De eerste vader op ’t Waterlooplein. Vroeg, heel ’s morgens. Sliepte bij slapenden uit. Toch al vijf-en-zeventig voorbij. Maar jong van mou’g en kou’g. Zou jeniet zeggen, aan z’n wit wapper-baardje boven z’n cache-nez en z’n sneeuw-lokken-vlokjes onder z’n pet. Pootig patriarchje, handig monarchje. Die er heerschte over de vroegte. Neuriet over ’t leege plein ’t welkom aan den dageraad. Saluut van politie „morgen, Bram!” Bromt Bram brabbel-war terug. Hij wil geen goeie morgen aan ’n mensch zeggen, vóór hij God heeft gegroet. Zóó immers luidt de wet van Joodsche ordonnantie. Dus eerst naar God gestapt. Op ’t Waterlooplein. Daar is Bet-el. In den gang, boven ’t metaar-huis. ’n Hooge trap op naar God. Daar zijn de vroegste tien. En ’t is ’n mitswe, de vroegste van de vroege tien te zijn. Dat geeft lang-laat leven. Probeert dat probate, Joden! Je bent toch de vroegsten op de wereld geweest, die God-één begroet hebt! Kijkt naar uw ouden Bram, daar in de vroegte! Die bidt met kracht en pracht. Met heel z’n lichaam in de weer. Maakt mat om te zien, maar maakt hem prat om den dag aan te durven. Zoo. Bram is klaar met God. Nu beginnen met de menschen. Abram’s ambacht? Tenten opzetten. Waarvoor? Om ze weer