8i
de baai, ’t leder, de brons, ’t velvet, ’t zeem, de zijde. Langs de randen van ’t slagveld de kreupelen, degedeukten, ’t platgetrapte, de verganen, de verworpenen. Rommel-reuk en slijt-geur, schim-mel-droes en rot-kleur. Afgestorven pronk, die herleven zal in krot en keet. Op ’t slagveld van Waterloo leer je de waarde van ’t waarde-looze. Schoenen, die je geen schurftige kat nasmijt, worden bevochten. Lompen, die je geen schooier durft geven, worden bekibbeld. Lachen, lachen! De strijd om ’t bestaan heeft toch gijn! Rook fladdert op. Vuur en vlam in ’t kampement. Marketensters en zoetelaars. Heete zooger, dampende biet, knetterende kastanjes. Zuur en zoet en zout is ’t bestaan. Zoet is niet altijd ’t lekkerst. Zuur en zilt en zout zijn smakke-lijker in ’t leven. Hoera, smullen en smakken kun je ’t best tus-schen de lompen en de rompu’s. Vruchten, visch en fruit kun je op ’t slagveld van Waterloo koopen. Neen, niet tusschen de fraaiigheden in, maar in de stands van de armoe, waar de mest van ’t leven gevent wordt. Hap toe, bijt raak, grijp aan! Rust even uit tusschen de tobbende slobbers, sta even stil onder de havelooze herrie. Daar is smaak te zien en sappigheid te lusten. Onder ’t slikken moet je ook je oogen den kost geven. Kauw en kijk. Drink en denk. Word zat en wijsgeer. Vraag je af onder die vrottigheid, waarom je eigenlijk vecht, om onder de voorsten te komen. Later worden je laatste sokken hier geveild, je staatsie-sof voor ’n dubbeltje gegund aan ’n stumperd, die de eer neemt, je leste vezels af te jakkeren. En vraag je dan eerst goed af, waar wel je body blijft. Slagveld van Waterloo. Van ’s morgens tot ’s avonds en morgen weer en overmorgen over!
Zie je hem? Dien dapperen soldaat op ’t slagveld van Waterloo? Kijk goed, die staat te sneuvelen! ’n Gemeen soldaat, maar dapper! Met bijna geen wapens, met munitie, ’t noemen niet waard, ’n Stalletje van roest, verbeten en versleten zoodje, verweerde koperen pulletjes, verwaterd-ijzeren prulletjes, meer lijkend op gevonden dan ingekocht, ’n Paar kachel-krengen, herleefd onder zijn noeste handen, ’n paar fornuis-flodders, herschapen in zijn knappe knuisten, ’n nette orde van pijpen, potten en poken, die de vaalt gevonden hadden, als hij ze niet in huis genomen en verpleegd had, ’n bak beitels, krammen, kettings, moeren, schroeven, spillen, spijkers, spieën, in rood-
Kiekjes. 6