79
Duizenden doud-vechters in rij en rang. Woelende wcmel in horden van orde. Deiningen van dood-dringen in ’n regelmaat van woede. Doods-verachting op commando van het leven. Waanzinnige dorst naar elkanders bloed, manie van honger naar elkanders goed. Gierende lust naar buit, dolle dooden-dans om hebben en houden. Bevelen tieren rond. Loeiende wachtwoorden verduizelen de lucht. Signalen slieren rond en benemen ’t denken. Alarm dondert dooden waak. Kreten van zinkenden beuken den hemel om gehoor. Gezucht van vallenden w'orstelt met ’t gerucht van vellenden om de oppermacht van geluid. Kleuren krioelen in ondenkbare mengeling en schreeuwen nog harder dan de kelen, snijden nog scherper dan de wapens, ’n Volkeren-slag. Naties naderen elkander tot op de ziel. Landen zijn lichamen gew'orden en loopen storm, om elkander in-te-lijven. Wat hindert het, of de talen niet te tellen zijn? Is schreeuwende pijn niet de wereldtaal? Zijn ’n jammer en ’n zucht niet eigen in alle vreemde spraken? De slag in volle vaart. Cohorten vallen aan. Korpsen slaan af. Drommen daveren hun donders. Bergen-hoog ligt munitie opgekruid. Karren knarren aan, ’t dood-dragende voedsel voor mieren-massa-menschen. Trommen brommen, doffe roffels rommelen tegen trompetten-schet-ter en zoemende klaroenen in. Slag op Waterloo. Hollende rossen draven hamerend aan in stoomende adems. Duivelende schepselsjbrieschen snuivenden vecht-lust uit. Beest en mensch zijn één, als er wat te dooden valt. Rook rafelt boven vlammende kampen. Vuur flitst roode fluimen op. Knetterende brand licht de woede toe. Bataille de Waterloo. Vroolijke vloeken geven klucht aan den kamp. Marketensters bieden slok en slik in den bloed-stoeienden strijd. Zoetelaars klappen smakkelijke zotternij te koop. Smakken en smullen gaan door, ook waar de dood ’t uitzicht belemmert. Hoera! eet en drinkt en morgen gaan we dood! Prosit, drank en zoetigheid, op de gezondheid van de laatste seconde! Lachen, lachen! Maakt lollig ’t lijden. Huilen houdt geen sterven tegen. De wereld lache zich dood! En avant, attacquez! Battle of Waterloo. ’t Komt er niet meer op aan, wie wrint, als er maar gevochten wordt! Heerlijk is ’t martelen. Strijd is de vader van de wrereld, de moeder heet pijn, hun kinderen: verlies en verdriet. Vooruit! voorwaarts in alle eeuwigheid! Achter u is toch alles weg. ’t Verleden sterft ieder oogenblik af. Dus, vooruit, ’t vaandel achterna van Mars en Mammon.