7»
„Gut Pocrem ruit elkaar. Schrikken jullie maar niet. Wc komme alleen maar even aan tafel. We magge toch?”
De stem van Hersj, in iederen vezel en zenuw.
„Vader, vader . . . wat is?” Simon weet niet, of hij in eeuwigheid of in eindigheid is.
„Wat ’t is? Niks . . . Boelie, ga jij daar zitten . . . zoo ... en ik daar . . . net of we nooit gestorven zijn, niet Boelie?”
Boelc zegt niets en blijft dood van geluid. Ze lacht enkel goedig.
Hersj schenkt zich ’n glas wijn in en voor Boele ook.
„Legajjem, allemaal . . . nou Boelie?”
„Hè, Herman, toe nou!” . . .
„Herman . . .? wat Herman?” gilt Lena.
Domme Roza, moet jij nu de boel vermasseren? De ver-sjteering was zoo mooi bedacht.
Hersj heeft in ’n ruk z’n pruik en baard ontmond en ligt aan vader’s borst.
Eergisteren was Herman uit Amerika gekomen. Z’n eerste klim was naar driehoog, naar z’n wachtende engel, z’n mooie ster aan God’s hemel, z’n Roza. En daar was ’t bedacht. En ’t was toch waar ook, Herman was verloren en Hersj herboren. In tien jaar kun je toch ’n ander mensch worden!
’t Goud horloge, ’t Sfoorem-kastje met alles er in. De megille.
Dien avond hebben Hersj en Boele als versjteerders de rondte gedaan bij ’n stuk of vijf doodarmen, de trappen op.
En Simon heeft al de versjteerings betaald.
XVIII.WATERLOO-PLEIN.
Waarschijnlijk ’n verbastering van Watcr-lou-plein. Want toen ’t water zaliger gedempt was, werd ’t gedoopt met dien naam. Ik zou anders niet weten, waar nu ’t water vandaan moest komen. D’r woont zelfs niet één mclk-boer. En ’t water uit ’t metaar-huis zal wel geen schuld hebben. Want wie dadr-mee gewasschen wordt, geeft geen naam meer.
Waterloo. Toch? ’n Slag-veld? Visioenen van legioenen.