ig8
van de aarde tot de z. van de zee. Ze is aan alle zijden door de oneindigheid begrensd. En toch te klein, om Zijn modellen te ontwerpen. Dat doet Hij in den hemel. En in het Paradijs is Zijn étalage. Zijn werk is subliem. Als je voorzichtig bent, kun je er minstens zeventig jaar mee toe. Dat doet Hem niemand na, geen enkele god. Morgen, menschen, kijkt Hij Zijn voorraad na. Dan ruimt Hij op en maakt Hij bij! Hij heeft maar één knecht in ’t werk. Dat is de Maleg hammoowes. Die smijt stuk, wat de Meester afkeurt; maken kan hij niets. Morgen is de eerste van ’t jaar. Dan hoopt hij weer op veel verval. Niet bang zijn, menschen! Ben je geknakt, gebarsten, gescheurd, geschilferd, verschoten, mismaakt, laat het eerlijk en bijtijds aan den Meester Pottenbakker zien. Die knecht heeft de stuip op z’n lijf voor openhartigheid. Maleg hammoowes houdt ’t met de helers! Ai, morgen ! !
Voolie Aardewerk, jij duurt al mooi over de zeventig. Wat, al dertig jaar ’n dubbele breuk en nog niet stuk? Hoeveel keer is je kop al gebarsten van de zorg en toch nog heel? Hoeveel maal heb je je hoofd al gebroken over je kinderen en morgen, eerste dag Rousj-hasjoone, wordt dat hoofd als we ’t beleven zes-en-zeventig jaar. Dan heeft de Pottenbakker je al zes toegegeven, want Hij geeft maar garantie tot zeventig. Wat, hebben je kinderen je stuk gemaakt en je één voor een weggegooid, zeg je? En toch weer opgenomen ook, omdat ze hun „sjerrebel” van ’n vader toch nog niet missen kunnen?
„De alderlaatste, as ik u zeg! En gaat u nou maar ’t heele Plein af, beter bij de heilige Jom-haddien, die morgen over de wereld komt, as u d’r nog één ken vinde, op ’t heele Waterloo-plein.”
’n Kop. En ’n schotel. Die schotel hoort er nu eenmaal bij. Maar ’t gaat om dien kop. ’n Kop als ’n kuip. Bijna één-en-al-oor. Met gouden biesjes en rood-ruiten-randje onder ’n azuren velg. Dien heeft de pottenbakker voor ’n Jehoede gebakken. Geen Nazarener zal ’rn koopen, niet nemen voor niets. Ad meie sjooniem staat ’r op, ’n gouden wensch in dansende, gelukkige letters, scheef van pleizier, in ’n buitel van genot. Voolie Aardewerk, ik geloof je, dat is de alderlaatste op ’t Plein, misschien op de wereld. Ad meie sjooniem! Tot honderd jaar! Dat is ’n hartewensch van het oude volk, dat met honderden ja ren