197
„nieuwe". Goddelijk zoo, volk zonder dood; daarom noemt men u het Oude, omdat gij het oude niet kent. Voor u is iedere dag het begin der Schepping. Gij noemt de laatste van het jaar: éérew-rousj-hasjoone! Uw woord voor iedere maand is „nieuwte”!!
„De alderlaatste!”
Ongeloovig kijkt ze ’m aan, op het Waterlooplein. Handel is toch geen geloof, al wordt geloof vaak verhandeld. Op het Waterlooplein ligt wel waar, maar daarom nog geen waarheid uitgestald. Geen koopman zal je ooit kwalijk nemen, dat je 'm niet gelooft. Integendeel, hij rekent op je ongeloof, vandaar z’n overvraag. Doe ’m nooit het verdriet aan, hem te geven, wat hij vraagt. Ge schokt zijn geloof en bederft zijn dag.
De alderlaatste. Heusch, hij is de laatste van het Waterlooplein. Hèm nog, dan loop ik 't Plein af. Hèm ’t allerlaatst, bewaard voor den laatste van het jaar, omdat hij de melodie van Rousj-hasjoone zingt. 'ooiie Aardewerk. Met aardewerk. Bloot op de aarde neergelegd. Op hoop van scherven. Wat 't breekbaarst is, wordt vlak tegen den grond gelegd. Spaart ’t te vallen. Rousj hasjoone zul je over scherven hooren zingen, stervend aardewerk! De mensch op z’n mooist, is aardewerk op z’n leelijkst. Joum hazikkooren — memento mori! Weet u 't verschil tusschen menschen en aardewerk? Aardewerk is maaksel van „Regoe,” de menschen zijn maaksel van Sjimbo-regoe! Koppen en kommen, schalen en schotels, potten en pullen, bakken en borden, kannen en kroezen, terrines en testen. Eerste, tweede en derde keus. Blind-wit, kies-kleurig, vreemden van-’t-zelfde, wat-bij-elkaar-komt en niet past, bont bloempje en mooi moesje, ongeziene knak, verscholen scheurtjes, verborgen barstjes, verloren schilfertjes, verschoten kleurtjes, verweerde voegjes, mismaakte vormpjes, misvormde kopjes. Zeg, menschen, ik heb ’t over 't aardewerk van Voolie Aardewerk. Zeg, aardewerk van Voolie, ik heb 't over de menschen. Komen jullie maar gerust met elkaar in de war. ’t Is eerew-Rousj-hasjoone. Misschien worden jullie morgen stukgegooid of overgebakken. Ik bedoel ’t aardewerk, ik bedoel de menschen. Morgen gaat de Pottenbakker aan ’t werk. Zijn zaak bestaat morgen vijfduizend-zes-honderd-drie-en-tac.htig jaar. De heele wereld laat bij Hem maken. Zijn werkplaats loopt van de a.