196
Voorzienigheid! Heer des Levens! Dat de zoon dat grijpen moest, hij, de semi-arts, de broer van Sara en Hartog.
Vreemd gezicht op Muiderberg.
’n Heer in ’n cape, die tusschen graven dwaalt. Eerste dag Selieches!
XLV.„DE ALDERLAATSTE!”Wie? Wat? Waar? Wanneer?
Heb je met God gesproken, dat je ’t weet? Je durft meer dan ’n profeet. Of, neem je ons beet? Neen, neen, ik geloof dat je ’t zóómaar deedt. ’t Is ’n liedje, dat je zingt voor ’t broodje, dat je eet. Vandaag roep je „de alderlaatste”. Maar morgen heb je alderlaatstere. Ik heb ze wel eens twee maanden lang de alderlaatste hooren hebben; waarna anderen ’t nog wel weer eens vier weken durfden na-hebben. Het laatste is de móóiste mysterie van het zijnde. Het eerste is geen geheim. Men weet, wie de eerste mensch was, maar wie zal de laatste zijn? Hier is mijn eerste pruim, kan de landman wrijzen, maar hij lacht u uit, als ge hem naar den laatsten vraagt. Het eerste heeft ’n begin, maar het laatste geen einde. Het eerste maak je mee, het laatste beleef je niet. Het eerste kan het laatste zijn, maar het laatste kan nooit meer het eerste worden.
„De alderlaatste!”
Toch kan het waar zijn en bestaan. „De laatste van 't jaar!” Negen-en-twintig Elloel. Beslist de alderlaatste. Heel de wereld geeft ’t toe. Er zijn meer, die ’t beleven, dan die ’t niet beleven, dus leugen is ’t niet. Maar tóch is ’t de laatste niet, omdat de éérste hem geen rust laat. De laatste beteekent rust, uitblazen, even wachten voor ’t wéér begint. Dat bedoel je toch, koopman, met je laatste van het jaar? Koop vlug, want weken en maanden duurt ’t, voor ik roep: de eerste van het jaar! Neen, Joodsch jaar, zóó is ’t met uw laatste niet. Geen seconde duurt ’t, of daar is hij, de éérste van het nieuwe jaar. Geen Jood ziet uit naar den laatste van het jaar; leven wil hij, om den éérste te beleven, ’t Christen viert „oude en nieuwe”, ’n Jood enkel