195
Plots tuurt hij ’n rug aan en glimlacht.
„Dat moest Spinoza weten, koopman!”
„Wat dan, meneer?”
„Dat-ie naast ’n seifer chajjiem staat, reusachtige mop!” . . . Hij lacht leuk en lang.
Is dat ’n schikking van de Voorbeschikking? Of, wat ’t zelfde is, ’n toe val?
’t Is ’t! ’n Seifer Chajjiem. Het Boek des Levens, voor't gebruik bij de dooden. Verfladderd in z’n bladen, verfrommeld van ruggegraat.
„Och ja, meneer, alles vindt z’n mannetje. Ik heb ’t juist daar neergezet, dan valt ’t in ’t oog, ziet u!”
„Typisch, reusachtige mop!”
De semi-arts trekt ’t uit de rij. Welke onweerstaanbare wil dwingt hem ’t open te slaan? Tóch ’t smachten van ’n ziel naar haar heimwee?
’t Titelblad wil waaien. De Beschikking zegt, dat hij ’t moet vastleggen. In ’n vreeselijk opeens moert z’n oog zich aan het binnenblad der „kaptorie”.
„Wat is, meneer, menéèr?! menéér!?” . . .
„Niets, och . . . e . . . heb ... ik . . . wel ’s méér last van . . . ’n beetje duizelig . . . koop . . . man . . . wat . . . kost . . . dat? . . .”
„Spinoza? Twee gulden, geen cent minder!”
„Nee, dat?”
„Dat seifer chajjem, nou neemt uzeker an mijn in de maling?”
„Wat kost . . . dat . . . koopman?”
„Kunt u ’t gebruiken? Meneer?”
„Anders . . . zou ... ik . . . je . . . niet . . . vragen ...”
„Neem u dat mee met dat andere boek voor twee gulden. An dat Seifer Chajjem wil ik niks verdiene!”
Ik heb gelezen op het binnenblad:
Vader gestorven — 6 September — begraven Muiderberg, rij . . . nummer.
Moeder gestorven — 4 April — begraven naast vader, Muiderberg . . . rij . . . nummer.
Onze Sara in den ouderdom van 18 jaar gestorven 3 Januari.. . begraven Muiderberg . . .
Onze Hartog in den ouderdom van 14 jaar gestorven . . .
Kiekjes. 13*