193
kasl, maar voor dien alleréérsten droppel is geen plaats. Dwaasheid in allerlei formaat laten ze inbinden en desnoods vergouden, maar de Openbaring is hun de moeite van het afstoffen niet waard. Doelt die Openbaring heeft ’n geheim. Dat is, dat iedere Jood er eenmaal naar snakt. Zooals de ziel snakt naar de eeuwigheid, omdat alle Joden, die nu op de wereld zijn, eenmaal om den Sinaï stonden, in de gedaante van voorouders. We zijn geen nieuwe zielen. We zijn alleen van lijf gewisseld. Er zijn ’n paar dagen van duizend jaar over ons heen gegaan, dat is alles. Al dat boeken schrijven, is het terugkrabbelen naar dat crue Hoek. Waarom bewondert u den boekenschat van ’n zotten zamelaar? Waarom staat u niet stil voor 't „sfoo-remrekje" van den koenen bidder? Die z’n gontmesj, machzer, fille, selieges, kinnes, tillem met tong en handen consumeert, met wijn besproeit, met kruimels bezaait, met vingerdrukken drenkt? Ze verdwijnen, die sfooremrekjes en mèt hen het ouder-wetsch geluk. Die ze in een kast zet, is lang zoo gelukkig niet meer. Goethe boven ’n machzer, of Shakespeare de buurman van Mousje Rabbeine.of ’n fille naast Ibsen, hoe kan dat sjoo-lem geven? God Zegene het sfooremrekje! Zie je dat boek daar, met z’n vervallen rug? Ha, haal ’t even eruit! Ho, houd de losse blaadjes tegen! Hé, herken je ’t? Ja, jij, Jood, die pocht, dat je niet eens meer „ooren” kunt. Ik weet wel, waarom je ’t eruit haalt. Je hebt ’t vandaag nóódig, nóódig als ’n asthma-lijder adem! Je vader roept je, je moeder wenkt je, je kind snikt naar je. Vanuit het graf. Je hebt jaartijd! Je wil pelgrim zijn naar Zeeburg, Diemcn, Muiderberg! Je bijgeloof is bang voor den éérsten dag der Selieches! Haal ’t er maar uit, hoor! Ga al de vrome buren rond en vraag ’t te leen voor een halven dag. Het Boek des Levens! Neen, je durft het Joodsch te jammeren: Setter Chajjem! Sla op, wat je bij ’n vader zegt. Daar is ’n vouw voor ’t gebed op het graf van de moeder. Laat je wijzen, wat je op het „keiwer” van je kind moet bidden. Al die andermans-boeken zijn duister te lezen. Maar dat niet, wel? En ga nu kijken, hoe laat de tram gaat!
Boeken.
Des Levens. Op ’t Waterlooplein. Natuurlijk, van die boeken moet hij leven. Van al die stellen en deelen en bundels en stapels. De aarde en haar volken — met ’t kwartje de wereld rond — de
Kiekje». 13