Wie niet? Kom mee, laat ik u zien, wie niet. Kom mee, naar ’t Waterlooplein! Daar staan de dwazen, de werk-heidenen zonder god-vacantie. Daar wordt de eeuwige zonde van ’t nooit niets-doen bedreven! Zie je die stumpers met de bolle wangen en bloeiende kaken? Zei je die stakkerds, vol in ’t vleesch? Rampzaligen, die bergen brood uit hun bordpapier verslinden in 'n staande ommezien. Ongelukkigen, je bent ten doode geboekt, want jou ontbreekt vacantie! Ongeloovigen, wordt ge nooit bekeerd? Ga naar zee en wordt mager! Vlucht naar bosch en eet minder! Neem je kinderen mee en kom met zenuwen terug! Dom-melingen, jullie aan den rand van ’t plein. Die je zelfs niet één dagje „beséémt.” Lompen-leurders, zwalkende sjouwers, nooit van vacantie gehoord? O, spel je ’t anders. Denk je dat ’t vaak-kansie heeten moet? Eeuwig misschien niets te beuren, maar ’n toch vaak kansie! En als je met vacantie gaat, is je vaak kansie weg! Of wellicht moet je ’t vak-kansie uitspreken? Arme wer-keloozen van ’t „vak”, die den stouten moed gedurfd hebt, om vodden op te nemen, loopen, zwerven, wagen, tot weer ’n vakkansie komen kan, ’n kansie weer om aan ’t vak te komen.
Vacantie . . .
En je kindertjes? O, hebben die vacantie van school? Zijn de meesters er sluw van tusschen door gegaan en hebben ze zoo maar al die schapen achtergelaten? Heel hartelijk van ze, paedagoogems! En als u dan gevaccineerd terugkeert, met vacantie ingeënt, druipend van zee-nat, opgepompt van bosch-lucht, gaat u dan fijn vertellen van uw vacantie? Zou ’n vader aan zijn kind vertellen, hoe zalig hij gesmuld heeft, als hij weet, dat zijn kind met honger is naar bed gegaan? Vacantie op de school. Gij zijt de Bel van den draak. Gij houdt van de kinderen, om van ze te eten. Dat je rijke kinderen vier, vijf weken, vaarwel geeft. Amen! Die gaan ook bij de zee ’n maand op visite of bij ’t bosch of bij de bergen. Maar die arme drommels? Je vraagt niet eens, waar ze blijven, valsche afgodendienaars, je loopt weg. Stel je voor ’n herder, die z’n schapen in den mooien zomer vier weken in den stal sluit en zelf gaat liggen kauwen en herkauwen in ’t gras? Die schapen van kinderen, mogen in de stinkende stal-lucht van de stad blijven, wat,en jullie luier-lollen in ondeugende vrijheid? Leert, arme kindertjes, van buiten, hoe ’t buiten is. Zingt van berg en dal, van de Alpen en de jagers,