184
zit, tot den zoon der dienstmeid, die achter den molen zit. Die het minste gedaan heeft, wil hem ’t meeste dienen. Zijn aanbidding is nietsdoen, zijn ceremonie is luieren. Het is ’n god, die de mier aan werken heeft en daarom gaat zijn genade uit naar de langslapers en gapers. De bijbel is er onschuldig aan. Hij kent alle afgoden behalve de vacantie. Hij foetert tegen de dwaasheid in de gekste soorten, maar die narrisjkat is nieuw onder ze zon. Jawel, hij kent vacantie. ’t Joodsche woord is „sjabbes”. Eén dag in de week. En jomtof op z’n tijd. Engelsch-man, volk van den Engelschen Zaterdag, gij hebt den bijbel-schen naam voor „vacantie”. Spreekt gij niet van holvdays? Heilige dagen! Rule, Britannië, rule! Heersch over de wereld, boute Britten! Gij hebt Duitschland afgeschaft, schaf de vacantie af en voer de holidays in, Sjabbes en jomtev! Die één dag in de week Sjabbes houdt naar voorschrift, snakt nooit naar vacantie. Daarom snap ik van de vrome Joden hoe langer hoe minder. Typisch, één voor één bekennen ze, dat ze juist hun sjabbes in hun vacantie niet kunnen genieten. Ze rusten dag in dag uit, maar hun „rustdag” is versjteerd. De Sjabbes is hun verdriet, hun onrust, hun gezenuw. Ze danken aan het strand, in het bosch, op de bergen, aan God op hun bloote knieën, dat die „gebensjte sjabbos” om is. Ze schrikken voor Vrijdag en schrikken zich dood tegen Vrijdagmiddag. Ze halen Zondag met hosanna in. Afgoden-dienaren! Ach, u bent er nog niet. Hoor ze één voor één die vacantie-pelgrims. ’n Soores met ’t koosjer eten. Nou ja, als je op reis bent, met vacantie, moet je één oog dicht doen en met ’t andere door de vingers kijken. Dan kun je ’t zoo nauw niet nemen. Wat zei ik u? Die god kan ’t met God niet vinden. Zie hem lekker lachen, als de vromen lekker smullen, met halve dichte oogen. Natuurlijk is ’t koosjer. Nou ja, hóóres, mot je niet zoo overdreven zijn, dat wéét men, daarvoor ben je in góóles. Mahlzeit, in gooles! Zachies bensjen! ’n Garrepe ’n sjand voor diè menschen daar aan dat tafeltje. Leg ’t ’r nou niet zoo dik op, dat je ’n Jehoede bent, wat moeten die Joden daar wel denken? Foei! God is heel goed en mooi, maar je moet Hem thuis houden. Vacantie kan Hem niet uitstaan. Hoera! Maar kun je dan niet thuis blijven en Jood? Och neen, u zijt dol! ’n Mensch moet met vacantie. Aju!
Vacantie . . .