i*3
te meer, om Holland even heilig als Palestina te heeten. Vacantie is de naam van den universeelen afgod der wereld. Wordt in alle landen en eilanden aangebeden in eerbied en extase. Wie hem niet belijdt, heeft ’n vacature in z’n hersens. Hij is éénig. Met hem is niets te vergelijken. Tot hem alleen moet men bidden. Hèm niet te bekennen, is de grootste zonde. Hij is de schepper van de wereld. Hij heeft de bergen gemaakt en het strand. De lucht is van hem en al het spektakel. Hij schiep de spoor en de stoomboot, het gewemel aan de zee en ’t gewriemel in ’t bosch. Zijn woord riep ’t gedrang aan den steiger en ’t geduw aan ’t loket. „Pas!” zei hij en ’t was er. Myriaden van ansichten bracht hij aan ’t licht en postzegels zonder tal. De marken roemen zijn almacht en de kronen jubelen zijn lof. Alles wat adem in zijn neus heeft, roept „hoera!”, als hij komt, om den koers op de aarde te richten. Werpt u neer in heilig strandge-waad! Verschijnt in lustre voor zijn aangezicht! Want aan hèm is de huurschappij. Hij beveelt en de uiterste hoeken van ’t pension zijn gevuld. Geloofd is zijn heerlijkheid in des ober’s mond. Zijn naam is met krach en bajes-teit. Zijn stem vilt beurzen en doet banken springen, rukt ’t laatste hemd van ’t lichaam en brengt barensweeën. Hij is god en niemand kan buiten hem. Hij is de moloch. Men loopt door ’t vuur, om hem zijn kinderen te geven. Koffers zijn zijn offers, bagage zijn altaren, hotels zijn heiligdommen. En toch is hij geen God. Hij is wel eenig, maar niet eeuwig. Drie dagen, drie weken, drie maanden, ho! Dan is hij treurend zonder kinderen, leeg zonder gasten, woest zonder huurders, versmaad zonder heerlijkheid. Dan liggen braak zijn tempels, zijn altaren op zolder, zijn offers in ’n hoek. Komen de drommen der dienaren terug en brommen: „de Vacantie heeft gegeven, de vacantie heeft genomen, de naam der Vacantie zij geprezen.” Dan is afgod Vacantie god-af. Neen, ’n god van ’n verrel-jaar is geen God. En dan die regen, ’n god zonder zon op zak, zonder taille-doekje van hemelsblauw om zijn natte firmament te vegen, zonder spiegeltje om z’n zee glad te zien, zonder kammetje om z’n blonde duin-kuiven op te strijken! Neen, al de vacanties der volken zijn nietsen, maar God heeft den hemel gemaakt.!
Vacantie . . .
Zijn dienaren: vanaf den zoon des konings, die op den troon