i82
groote Leie’s dochter, die al in geen jaar spreekt met haar moeder.
„Hier ! ! hierrr! zeg ik je!”
Wat ’n Gods heerlijk mazzel, dat oude Leie doof is en die heel-harde stem niet hoort. Maar kleine Leie hoort ’t wel en rukt zich los.
„Kom, Leie, help je ons nou, hoe is ’t, we motte weg!” Oude Leie hoort de stemmen niet van ’t geld. Wat kan haar ’t harde geld schelen van die mannen, met dat half-zachte kopje aan haar wang, dat ze in geen jaar minstens had gevoeld! Haar dorre lippen zijn niet van die poezele wangetjes los te krijgen. En kleine Leie rukt, want moeder heeft ginds geroepen.
En toen gebeurde, wat gebeuren moest.
„Ai ! ! . . . oo . . .ö ! !”
„God ... zal je bewa . . .a . . .re ! !”
„Sjim-jisjmereine !!”...
„Oeiii !!”...
De kisten om. De pannen neer, ’n reuze-pan! reuze-half-zacht!
Kleine Leie had met haar stoeiende pootjes aan oude Leie’s hals getrapt, getrapt tegen de kisten en niet half-zacht, reken maar!
„Nubbisj.”
„Schepsel.”
„Wat geeft nubbisj zegge? . . . vooruit manne, allemaal wat, vooruit jonges! Leie haar schade betaleü”
Daar dringt ’n vrouw naar voren en vliegt om oud-moedertjes hals.
Leie’s dochter, kleine Leie’s moeder. Haar hart was hard aan ’t koken gegaan. Half-zacht. Heet zijn de tranen, ’t berouw isgaar.
Bij haar dochter kun je ’r nu vinden, met haar Lijp.
Saar had eieren gekozen voor haar geld.
Moeder en vader ingenomen.
’t Ei van Columbus.
XLII.
VACANTIE . . .
Wie weet welk wijs woord daarvoor? Het Hollandsche heeft er geen vacant voor. Het Hebreeuwsch heelemaal niet. ’n Reden