i8o
pan met rauwe eieren. Wat ’n panorama en Leie speelt pantomime, ze stookt, ze pookt, onder de pan, in de pan, uit de pan, over de pan. Leie, pan-slavin, brand je niet aan ’tpan-heet-isme, pas op met het onderste uit de pan!
Half-zacht, dat is het probleem, dat is ’t „eier-eten” van de wereld. Rauw is geen kunst, zacht evenmin, roer en spiegel heeft men gauw te pakken, maar half-zacht. . .! Trouwens, alles is makkelijk, behalve wat half moet. ’n Leege dop is geen kunst, maar krijg nou maar precies ’n half ei! Heb je zooveel gereken met heele als met halve centen? ’t Is wel te begrijpen, waarom ’t in de wereld zoo ingewikkeld is, de meesten menschen zijn half-slachtig en half gaar. Is daarom 't leven zoo onbegrijpelijk kort, omdat ieder bij zijn geboorte al half weg is? Ja, graag willen de menschen tevreden alles samen deelen, edoch, ontevreden wil ieder de grootste helft hebben. Als je toch de helft wil nemen, hoe kan er dan ’n grootste en ’n kleinste zijn?
Half-zacht! Waarom zeggen ze nooit half-hard? Om dezelfde reden, waarom ze half-vol, half-dood, half-gek, zeggen en nooit half-leeg, half-levend, half-wijs. Omdat ze liefst naar den leelijksten kant overhellen. Je bent al licht te vol, te dood, te gek. Zoo is ook te zacht ’n leelijk ding voor ’n ei!
Half-zacht, dat is Leie’s turen, haar spanning. Daarom zit ze op ’n half-zachte zitting, om telkens te moeten opstaan en naar half-zacht te loeren. Ze spreekt ook half-zacht, omdat ze heel-hard-doof is. Haar leven is nog altijd half-zacht gebleven. Heel-hard altijd gesappeld, voor hard-hoorige kinderen. Maar haar Lijp naast haar deelt eerlijk lief en leed, precies in de helft. Als ze woorden met elkander hadden, was ’t, omdat ieder de kleinste helft wilde hebben. Ook de kinderen waren eerlijk gedeeld, twee zoons, twee dochters. Die nu groot zijn en op hun beurt ouders. Leie hoeft niet met eieren te staan, daar hadden die kinderen wel „ei-tse” voor geweten. Maar daar hadt je de moeilijkheid, half-zachte kinderen! ’t Ging weer om de helft. Samen wilden ze de ééne helft geven, als de stad de andere helft wou geven. Maar de stad wou niet. Wat ze recht had. Goed. Dan zouden ze ’t samen doen. Als ieder ’t kleinste mocht geven. Toen leiden Leie en Lijp de handen samen en zwoeren, dat ze niets van de kinderen zouden aannemen. Toen leiden Leie-en-Lijp’s kinderen de handen samen en zwoeren, dat zij noch hun kinderen ooit ’n voet over Lijp’s en Leie’s drempel