177
„Hè, moeder, mag ik koope?”
„Hè, moe, koopt ü wat voor me . . . daar, heb u vier cent, ja moe?”
Kleine, rappe, kluitje mensch, waarom schuil je weg? Guite-broekje van negen-op-worden, waarom loop je weg van ’t lekkers, waar kijkers en bekjes op aandwarrelen? Lust jij niks? heb je geen geld? Maar toch wel trek toch?
„Ai, de grootmoeder van Sannie de Zoete.”
O, ho! Dus jij bent Sannie de Zoete en dat is je grootmoedertje en je loopt weg, omdat je gezichtje bloost van gekke schaamte, dat dit je grootmoeder is, die vroeg op is, vroeg wat wil verdienen, aan vroegertjes, wier keeltjes allicht vroegen om lekkers. Je schaamt je voor je kornuitjes, Sannie. Waarom schaam je je dan? Grootmoedertje schaamt zich toch ook niet, om voor jou en twee zussies vroeg op te staan en wat te verdienen, omdat vadertje niet leeft en moetje ook dood is, alletwee op reis, eeuwig lang met den Grooten Meester! Grootmoedertje is toch jouw moedertje, Sannie. Ze heeft toch, vóór ze gisteravond van haar nieuwe doozen en flesch handgift had, drie reepen en ’n zakje drupjes in je broekje gestopt. Nee hè, dat wist je gisteravond niet? Heb je zeker ook niet haar oude hoofdje langs je mondje voelen gaan, toen je sliep met zulke rooie, lachende wangen? Wou ze je vanmorgen brengen, weet je wel? Heb je toen niet gezegd: „nee, goomoe, gaat u maar vooruit, ik kom daar wel?” Sannie, waarom schaam je je voor de moeder, die haar kind verloor, dat jouw moeder was? En ik weet, dat je dol met haar bent en ik weet, dat je opspaart voor haar verjaardag, om samen met je zussies ’n paar toffels voor haar te koopen. Maar ik wist niet, dat je je verschuilen wilt achter ’t hoekje van de wereld, omdat grootmoeder daar staat en ze allemaal weten, dat ’t jouw grootmoeder is . . . Zeg, ondeugende rekel, hè waarom kom je nu ineens aanloopen naar grootmoeder? Omdat de meester van „’t kriste” bij haar staat en koopt, koopt? Hè, nu heb je praats, nu poch je, dat ’t jouw grootmoeder is, omdat de meester van „’t kriste” al voor twee kwartjes gekocht heeft. Nu zou je ’t wel willen uitschreeuwen tot grootmoeder, tot den meester!
Lust je niet? Sannie, wat doe je nu? Drie reepen en ’n zakje drupjes, die grootmoeder gisteravond in je broekje
Kiekjes. 12