En dan, als ze met hen op reis gaan! Dat weet ik nog ’t best van eigen jeugd. Ze weten wel, hoe hoog ’n Jodenhartje slaat, zij moeten u uit hun heimelijk hart eerlijk bekennen, dat kinderen van Israël de geroepenen zijn en de uitverkorenen. Zij hebben feest, als ze Juda-kindertjes mogen aanvoeren naar’tpleizier.
Vroeg . . .
Maar wie zijn nóg vroeger op dan de kindertjes? Vraag niet, maar zeg! De moedertjes! Die waren gisteravond al op, toen de kuikentjes al op stok waren, om te droomen van malsche wei en vetten voer. Die hadden gisteravond al vanmorgen, toen ze boterhammen sneden en belegden met kaas en mazzel-en-brooge, toen ze de broekjes nog even nakeken en de jurkjes, de kousjes even stopten en de snoepzakjes, de schoentjes poetsten en de slapende snoetjes inspecteerden. Die hebben nu al vanavond, omdat ze hun hartjes graag simge gunnen, maar nog grager ze weer thuis weten, besjoolem en tegoejem, omdat ze tóch vandaag geen rust en geen duur hebben. De moedertjes, die haar weelde vandaag aan ’n ander vertrouwen, haar juweelen zóó maar aan ’n ander meegeven, met geen ander pand dan ’n diep verborgen gebed, om ze weer terug te krijgen, ’n Echte Jodenmoedertje loopt mee met haar dansend kindje, welks vreugde ze niet kan bij houden. Neen, die liefde geven kindertjes hun ouders nooit terug. Want ze loopen van moedertje al weg, als ze den meester zien en vaak durven ze niet eens denken, dat moetje met ze meegegaan is, uit rare schaamte voor ’n makkertje. Neen kindjes, nooit wordt ge gewaar, wat ge voor moetje zijt, nooit! Later, ja als je met jouw kindje meegaat. . . later .. .!!
Dat tentje is toch niet van haar, daar op ’t Waterlooplein?
Wéét rimpelend grootmoedertje wel. Dat tentje is opgeslagen, om zijde en fluweel te torsen, satijn en satinette, fijne piqué en mousseline. Maar nu is ’t toch nog vroeg. En de man van de chique stoffage slaapt toch nog. Die planken zullen toch niet slijten, als zij twee doozen reepen en ’n flesch zuurtjes even d’r op zet. Ze kan ’t wel in haar armen houden, maar ze is toch ook al vijf-en-zeventig voorbij.
Hoera... jongès, jönges, jongééés!
De vlucht duive-kindertjes fladdert aan. Ik zou wel van bijtjes-zwerm en honing-bloemen praten, maar die kakel-roekeloeren toch niet: „Ai, fijn, sjokkelaat en balletjes!!”