Kiekjes

Titel
Kiekjes

Jaar
1926

Overig
I, Jodenbreestraat-Waterlooplein

Pagina's
208



Menachem ben Ben-Zion ... is . . .

’n Mannetje van het Waterlooplein. Dat pientere kijkers in z’n kopje heeft en ’n puilende pruim achter z’n kiesjes. Hij is de landvoogd van z’n heilig plekje grond tegenover de puinschuit, op mandaat van den markt-meester. De profeet der negotie, de koning van den Joden-hoek, tot wien men „uitdraagt” den afgedragen luister van alle windstreken van de stad. Die mandaat heeft van God, om nóóit Sabbat te saboteeren, of met treife te treiteren. Die nog nooit anders dan brooges in het Hebreeuwsch, maar „Goddank” in het Hollandsch heeft gezegd. Tot wien Hebreër, Saraceen en Nazarener met onverdeel-den eerbied opzien, bang voor zijn moedig geloof. Hij zelf kent z’n waarde niet, weet niet hoe gaaf hij is, te arm om zijn rijkdom te beseffen, te zuiver om zijn onbedorvenheid in te zien. Misschien zou hij mis zijn, als hij niet pruimde en zich soigneerde. Die zou zich zekerlijk bederven, als hij heer werd. Die zou zijn beteekenis vast verliezen, als hij man van beteekenis zou worden.

Menachem ben Ben-Zion. Geen mooie naam voor de dagen en weken na Tisje b'ow? Ha, hij heet naar de maand zelve! Want Aw is maar negen dagen Aw en één-en-twintig dagen Menachem. Natuurlijk, die maand is gebensjd geworden. Ze was zwaar ziek, lag op den negenden dag op sterven, werd gebensjd en leeft nog. Is er iemand, dien men nog zeggen moet, dat Menachem „trooster” beteekent?

Menachem ben Ben-Zion zit met troosteloozen rommel, op bloote straat geworpen in ordelijke wanorde. Morning-evening-en after-dinner-dress, spullen eens van menschelijken waan, prullen nu van menschelijk vergaan. Aangemeten, weet ge nog en tweemaal gepast. Neergesmeten, ziet ge wel, tienmaal ongepast. Wie weet, hoevelen, gekleed daarin, ongenaakbaar waren en nu, daar ligt de ontdane trots in naakte nonchalance. In angst voor ’n stofje, in woede door ’n vlekje, kreukje roer me niet en daar nu, stoeiend in wolken stof, vleiend tegen vuil, vragend om verfrommeling. Jas en overjas, rok en onderrok, op ’n hoop over-hoop, in keur-looze verschilligheid en kleur-vollen onzin. Daar ligt ’n brok maatschappij, mensch-hulsels waar ’t vleesch af en ’t bloed uit is. Zóó ligt ook ’t levende mensch-vulsel overhoop, alleen dierlijker en gevaarlijker. Dat daar kan nog nut zijn in zijn roeme-leege versletenheid, maar toen ’t nog fijn was, heeft ’t schande-vol kwaad gedaan door vernede-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.