zoo . . . na . . .naa . . .r-va . . .der . . en dan zegt hij niets meer.
„M’n hart! . . . m’n hart !!”...
Dien Tisje b’ow heeft Sjimmie Hartlooper gevast. Z’n boterhammen bleven liggen, zooals ze lagen.
Hij droeg z’n „hart” naar huis . . . hartroerend, dat ieder die ’t zag, ’t hart brak. „Ai, vader, mag u niet zegge, nog veel jare, op Tisje b’ow.” Die woorden lieten hem niet los en werden spoken.
Maar God is ook ’n Vader. Die ’t hart van de kinderen aan de ouders teruggeeft.
Of ’t nu kwam, omdat vader vastte tegen wil en dank.
Of ’t nu kwam, omdat ’t kind moest „aanbijten” tegen wil en dank.
Sjabbes Xachme hebben ze „gesjnaggeld,” oei, oei, wat hebben ze „gesjnaggeld”!!
XXXIX.
MENACHEM BEN BEN-ZION . . .
Heerlijk-heilige huiver! Teeder-tintende toover! Zoet-zach-tende zang! Gewordt het u niet, of het heil roept en de toekomst wekt? Heeft de eerst-echte Messias zich bij name hooren roepen? Of Israëls eindelijke profeet? Of Juda’s jonge koning, uit David gezaaid, om in eeuwigheid te tronen? Zou de waarheid geboren zijn en de vrede gebaard?
Menachem ben Ben-Zion . . .
Heeft hij mandaat van God en kan hij koningen bevelen? Likken vorsten zijner voeten stof? Zal hij onreinen en onbesne-denen uit Jeruzalem jagen en enkel dulden, wat zich metnaam van Israël noemt? Zal Abraham’s duur betaald Magpela dan weer van ons zijn en Rachel’s graf en Jesaja’s tombe en Zacharja’s matseiwe en David’s dooden-stad?
Menachem ben Ben-Zion . . .
Is dat de nieuwe landvoogd van het onbevoogde Land? Die zijn eer niet tuischt met Sabbath-schenners en heel de heilige plaatse in staat van bezit verklaart van Jakob’s kroost? Die de horzel is van Arabier en Edomiet? Die de bioscopen sluit op Sabbat in Salem’s veste en de treife-kauwers veelvouden slaat van negen-en-dertig malkes-makkes en „zwijgt!!”, gebiedt aan die de heilige taal vermorsen voor hun af val?