IÖ2
dieren, de aarde met wat er op, de zee met wat er in is. Wouden, schepen, wagens, huizen; spoor en telefoon, auto, tram en gra-mofoon; huisvlijt, mechaniek, Zeppelins, muziek; tooverkunst en sport, schilderdoos en fort; architectuur en loterij, sprook-lectuur en spelerei; domino en dam en kien, telraam, bal en vliegmachien; kippie-in-’n-hok, apie-op-’n stok; emmertje en schop, zwemmertje en pop; hoepel, telescoop, springtouw, bioscoop; plakplaat, kralen, batterij, blazer, speen en drukkerij. En Israël Speelman duwt ’t voort, op ’t Waterlooplein. Zie, hoe de menschen in doozen liggen, op stroo in houtwrol, in dood-doozen nog niet eens van hout, lachende lijken, bloed-jong met blozende wangen en licht-laaiende oogen, met witte waden en kleurende staatsie. En Israël Speelman duwt ze voort, op het Waterlooplein. Zie, hoe de dieren geen beesten zijn. Niet kauwen, niet klauwen, niet bijten, niet rijten. Zie dien beer met dat schaapje, die leeuw met dat lammetje, dien uil met dat duifje, dien kat met dat muisje, ze doen geen kwaad en geen leed. Israël Speelman voert ze voort, op ’t Waterlooplein. Dan staat de wereld hier, dan staat ze daar. Een uur geleden in de schaduw van de kerk, ’n uur heden in de zon van de kroeg, ’n uur straks in den schemer van ’t metaar-huis. De kleine heilstaat, ’n wijle in rust, als de stem niet dreigt van den drijver, maar in stage zwerving van goloes, als de politie roept „door-loopen!” Israël Speelman, de voerman van de wereld, moet naar hooger stem hooren, op ’t Waterlooplein. Is ’t niet ’n dwaze man, die met speelgoed loopt? Is het doen voor ’n denker, om aan kleine kindertjes z’n brood te verdienen? Hoor ’m ’n poppetje prijzen en ’n gekheidje loven en ’n dwaasheidje roemen. Zie ’m kwaad zijn tegen groote menschen, die zoo’n lijkje in ’n doos in hun hand nemen en afkeuren, die ’n huisje ’n dubbeltje te duur vinden en ’n schip laten varen om ’n verschil van ’n stuiver. En Israël Speelman moet ’t doen of laten, op ’t Waterlooplein. Zijn wereld wordt door kindertjes geregeerd, die zwerven om z’n paradijs, met hem meeloopen en staan blijven, die hij niet verdrijven kan door kwaadheid, en niet kan wegsturen met ’n goed woord. Integendeel, ze groeien aan. Speelgoed is hun wereld, hun gloeiendste ernst. Alleen kunnen ze hun bewondering niet aan, ze roepen hun speelgenootjes erbij, vergeten hun veeten in den vrede van die weelde, ze wijzen naar hun wenschen, ’t is al mooier en mooier, omdat ze nog