i6i
Dat is Goedje. Goed begrepen?
Wat ze te koop biedt? Eerst was ’t glasgoed, sigarenpijpjes; waschgoed, stukjes zeep; haargoed, netjes en kammetjes; poets-goed, doosjes glim; naai-goed, klosjes garen, pakjes naalden en kaartjes wol; knoop-goed, stukjes veterband, bosjes veters, trosjes elastiekjes, hemden-knoopjes, boorden-knoopjes, van stof, van koper, van been. Alles goed-schiks gelegd in haar marsje. Ze draagt haar eigen vrachtje, ik geloof niet, dat er ergens zóó licht vrachtgoed is.
Dat is goed-lachend Goedje, die werkt en zwerft voor vier bloedjes. Dat is goed-geefsch Goedje, die iederen Vrijdag nog ’n paar centen weggeeft aan ’n sjlemielte, die op haar trap woont en blind is.
Nu heeft ze binnen-goed te koop. Droog binnen-goed in haar bakje. Ja, meneer, steekt u die sigaar maar eens op, hier, ’n doosje lucifers ligt erbij.
Die sigaren maakt haar kleinzoon, ziet u. Goedkind heet-ie ook en hij is ’n goed-kleinkind voor z’n grootmoedertje. Wou niet hebben, dat ze nog zwierf, heeft gekeven erom met haar. Maar zij lachte en ze won.
Dat is Goedje.
„Steekt u maar 's op, meneer, opsteke . . . kost toch niks!”
En meneer steekt op. Gek, dat zóó’n sjieke meneer ’n sigaar koopt op ’t Waterlooplein van ’n zwervend vrouwtje, van enkel rimpeltjes en adertjes.
Maar hij betaalt niet . . . tenminste niet met geld ... hij steekt niet eens op . . . hij betaalt ’t vrouwtje met . . . met . . . met ’n omhelzing, dat de menschen dachten aan ’n dronken, rijken Amerikaan.
Ja, Goedje, dat is Jaapie, die gisteren uit Amerika gekomen is.
Zóó goed is toch nog die nare dood, dat hij u dat nog heeft laten beleven.
Xu, Goedje," nü hou je voor goed op met je goedje!
XXXVII.
SPEEL-GOED.
De wereld op twee wieltjes, het paradijs op ’n karretje, Israël Speelman duwt ’t voort, op het Waterlooplein. Menschen en Kiekjes. II