i6o
Maar Goedje wist het wel goed te praten. Waarom? Was ze niet gezond en was het niet zonde van het Waterlooplein weg te loopen? Kon ’n mensch dan weten? Neen, ’n mensch kan niet weten. In één jaar drie kinderen verloren. De dood is vreeselijk inhalig. Hemel, wat kan de dood toch aan! Die verslijt maar levens, of ’t niets is. Vraagt niet,of ’t goeie kinderen zijn of niet. Die dood kan dag en nacht door-eten. Zóóveel menschen leven op de wereld. Neen, hij moet bij Goedje wezen. Hij had lang niets van haar gehad, maar die jonge man van Goedje had hem zóó lekker gesmaakt, dat hij weer eens bij haar wou komen smullen aan jong, malsch bloed. Zoo of zoo had hij alle drie zoons gehad. Twee heeft-ie gekregen en één moest hij loslaten. In één jaar stierven Gerrit en Simon. Goedje kreeg toen van schrik ’n lach, die haar nooit weer los liet. En ze begon te krimpen. Aan goed en bloed. De dood had zijn boekhouder Verdriet gelast, op Goedjes gelaat precies op te schrijven, wat ze hem betaald had. Diepe lijnen had Verdriet toen getrokken over haar gezicht en daar zóóveel opgeschreven, dat iedereen met het cijfer van haar leven in de war kwam. Iedereen gaf haar dik zeventig, toen ze nog dun veertig was. En de menschen dachten dat ze onverschillig was, omdat ze lachte van zon tot maan. Maar, zei ik niet, dat ze drie zoons verloor? Ja, Japie ging in dat jaar ook weg. Maar gelukkig niet naar ’n andere wereld, enkel maar naar ’n ander werelddeel. Hij móest. Omdat hij te goed wou zijn. Voor Goedje. Die haar laatste handels-centen ingeteerd had voor haar goeie kinderen in hun lange ziekte van maanden. Hij had zelf ook niets meer en . . . anderman’s goed is gevaarlijk in huis te hebben, als twee broers sukkelen en ’n moeder niet meer heeft. Weg, naar Amerika. Goedje wist niet waarom en lachte maar. Nu nog maar enkel Grietje over. Die ’n jaar later ook wegging. Naar den Haag om vrouwtje te zijn en moedertje te worden. Goedje wou niet mee. Kón ze dan mee? Had ze niet weer vier kindertjes thuis? Eén zusje en nog drie broertjes? Overlevend goedje van de goede dooden. Weer hield Verdriet zijn boeken bij op Goedje’s gezicht, toen Grietje wegging. Goedje bleef op haar hokje. Maar geld om op ’t Plein te staan in ’n tentje had ze niet, dus ook geen goed. Toen ging ze maar loopen met ’n bakje aan haar borst, met touwtjes om haar hals en ’n stukje karpet aan weerskanten, om haar hoofdje niet te snijden van haar rompje.