159
kopje zou afglijden van haar stengel-lijfje. En wat kon ze lachen, goed Goedje. Met lachen heeft ze ons bekeven, als we haar uitlachten om haar lach. We wisten toen nog niet, dat lachen ook van leed kon komen. Later ervaar je meer, naar mate je naar den achtergrond vraagt of denkt van wezens, die je nooit anders dan alleen ziet. Heeft Goedje geen vader, geen broeder, geen moeder, geen dochter, geen zoon of zuster, geen man, geen pleeg-iets of stief-zoo? Gehad. Alles gehad, wat ’n mensch aan bloed kan hebben en verliezen. En ook aan goed. Goedje had het goed gehad, toen ze haar bloed had. Bij haar vader en moeder, die hun eenige dochter de aarde verhemelen wilden. Maar ze verloren hun goed en later hun leven. De drie broers gingen drie werelddeelen in, Amerika, Afrika, Australië, om goed te zoeken en bloed te wagen. En Goedje bleef alleen, om zich leven te zoeken. En huwde ’n — lezer, u alleen zeg ik den naam, dien ge niet gelooven moogt, anderen gaat het niets aan •— ’n Goedkind. Toen was ze Goedje Goedkind, die goeie kinderen kreeg. Bloed kreeg ze genoeg, maar van goed te weinig. Haar man zocht vroeg de aarde op, waaruit hij gekomen was. Jong was ze weduwe, wat ze bleef, uit smartend verdriet om haar God-goeden sjlemiel, die verongelukt was in het zoeken naar brood voor haar en de hunnen. Van een muur gestort, die hij sloopte en die hem sloopte. De kinderen waren nog klein, alle vier. Zij ging toen met goed staan op de markt. Ondergoed, ’t Ging Goedje goed. ’t Leven stond haar wat lachen toe. En de kindertjes werden kinderen, goed voor Goedje. Oudste zusje moederde thuis, als moedertje markte. Twaalf jaar, ze kon al haar broertjes aankleeden en hun goed heel houden en de trap doen. Oudste broertje vaderde op de markt, als moedertje thuis moest zijn. Wat ging daaraan niet goed? En de kinderen groeiden moedertje boven het hoofd. Oudste zusje bleef thuis en de broeders wilden Goedje vergoeden al het goeds van haar sappelen. Ze gingen alle drie in goed doen. Goedje lachte om haar goedje en bloedje. Daar stonden vier Goedkindjes op ’t Waterlooplein. Goedje in ondergoed. Gerrit Goedkind in bovengoed. Japie Goedkind in leer-goed. Simon Goedkind in snoepgoed. Natuurlijk vonden de kinderen het niet goed, dat Goedje nog met goed stond en trachtten moeder bij te brengen, dat ’t zoo al goed genoeg was en dat ze nu maar goed deed, met ’t voortaan maar aan hen en den goeden God over te laten.