157
de koningin toch niet afgooie. Wat mot ik doen, Sak? afijn, ik zal wel zien.”
Rookie gaat ter stemming op.
Sak blijft achter en brengt zijn stem uit, dat ’t davert, dondert.
„Ze binne bruin en mooi! Hier tap je rooie wijn!”
En inwendig klimt ’n andere stem naar boven. Hij is ’n beetje ongerust. Rookie blijft zoo lang weg. D’r zal toch niets gebeurd zijn met haar stem?
„Waar blijf je zoo lang, Rookie?”
Rookie hoog-rood gekleurd van uitgestane spanning en ingehouden drift.
„Nöh, fijn, die heb ik z’n geilek ge geve, Sakkie, as je d’r bij was gewees, had je ’nooë d’r van gehad. Daar kom ik voor ’n groene tafel. Vraagt ’n meneer, die daar zit.m’n naam. Afijn, hoor ik ’m iets mompelen van ’n „kan die dat!” Candidaat, bedoelde hij.
„Kan diè dat?” zeg ik. Afijn ik heb ’m even m’n stem late hooren. „Ik zal je laten zien, dat die dat kan.”
En toen heb ik stuk voor stuk al die hokkies rood gemaakt. Misschien wel ’n vijfhonderd. Ik heb gestemd over Sjimme en over Jossef. Fijn. Die vraagt me ooser weer om te stemme. Nöh ! !"
Leve de stem!
XXXVI.
GOEDJE.
En daarom wil ik niet weg van het Waterlooplein, ik zie er zooveel goed. En daarom laat ik er geen kwaad van spreken, ik zie er niets dan goed. Het goed ligt er voor het grijpen, zóó maar op straat. En heusch niet alleen voor ’t metaar-huis. Ook bij de kerk, ook vóór de herberg, ook aan de puinschuit. Kan in den hemel meer goed weggelegd zijn, dat op het Waterlooplein? Zeg toch niet, dat het enkel boven goed is. Het Waterlooplein toont u toch ook onder-goed. Noem niet louter groot goed. Het Waterlooplein kent veel meer klein goed. Goed zoo, mensch! Al wat ge op deze wereld hebt, hebt ge goed genoemd. Twee slechts hebt ge lief: uw goed en uw bloed. Wat klaagt ge van slechten tijd, terwijl de wereld met goederen overstelpt is? Hoe kan de wereld ook te licht gevonden worden, waar